Regelmatig komen er vragen van kerkbezoekers om de gehoorde preek nog eens te lezen. Speciaal voor deze mensen en mogelijk voor vele anderen staan hier onder preken waar naar gevraagd is.

23 april 2017 Preek 'Lilith' van rabbijn Tamarah Benima. Te downloaden uit de map Algemeen.

13 mei 2012, Preek van ds. Fennie Kruize, Thema: Verloren of Bevrijd?

22 april 2012 Preek van Prof.dr. Ed Noort metals thema: “God en het Lot” of “Het gelijk van de slang".

17 oktober 2010Preek van ds. G. Schievink. De dienst had als thema Mystiek. 
21 maart 2010 was ds. G. van der Enden voorganger in de Grote Kerk waarin meewerkte de Drachtster Cantorij o.l.v. Henk Oosterhuis. Het thema van de dienst was: "Psalmen". 

7 maart 2010 was ds G. Speelman voorganger. Het thema was: "Verzoening als mensenwerk".

22 april 2012 Preek van Prof.dr. Ed Noort met als thema: “God en het Lot” of “Het gelijk van de slang".

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Ze zijn voorbijgekomen, de liederen uit het Gilgameschepos
over vriendschap en macht
over de kracht van sexualiteit
over de zin van het leven,
over dood en onsterfelijkheid.

Hier in deze kerk poëtisch verdicht, vertoond en gezongen.
In zijn spijkerschrift-oertekst nog rauwer, direkter, iets meer voor boven de achttien, toen we die filmkeuring nog hadden.

Ter herinnering
Gilgamesch, de machtsmens , koninklijke dictator van Uruk, en de oermens Enkidu, zijn huid behaard als een pels, hij leeft, eet en drinkt met de dieren in het veld, samen met de gazellen deel van de natuur.
Als je hem zou tekenen zou er een Neanderthaler uitkomen.
Dan het geheim van de geslachten, de wilde kracht van sexualiteit die alles verandert.
Daar komt Sjamchat, de tempelprostituee, Zij bestijgt Enkidoe, (iv 16vv.) zes dagen en zeven nachten lichamen in elkaar verstrengeld een roes van zinnen.

“Wijs ben je nu, Enkidu, wijs als een god!  (iv 34)
Dat is de les van Sjamchat. Maar Enkidu is ontworteld, zijn gazellen vluchten, het wild van de steppe kent hem niet meer. (iv 24v.)
Het gevecht en daarna de vriendschap tussen Gilgamesch en Enkidu, twee mannetjesputters geen gevaar te groot, geen vijand te sterk, de helden staan voor nietsen gevaar. De godin Ischtar, met een zinnelijk oogje op  Gilgamesch, die haar bruusk afwijst, leidt het volgende drama in. De twee helden doden de op hen afgezonden hemelstier. Dan moet Enkidu sterven.
 
Onverbiddelijk ligt Enkidu op het bed van de dood,
Voor het eerst ervaart Gilgamesch wat dood betekent:
“Ik liet niet toe dat hij begraven werd,
Zes dagen, zeven nachten  zat ik naast hem
totdat de wormen uit zijn gezicht kropen.”
Wat is leven, wat is dood?
Hoe op zoek naar onsterfelijkheid?
Daar is er toch één, één mens
Die aan de dood voor altijd ontsnapt is,
Die de zondvloed overleefd heeft.
Naar hem op zoek.
Dan vertelt de babylonische zondvloedheld Utnapischtim
Hoe de wereld verging en hij bleef leven
Dat wil Gilgamesch ook.

Ga op zoek naar het levenskruid, Gilgamesch
En je zult eeuwig leven.
Een lange lange tocht, maar uiteindelijk gevonden
Levenskruid voor Gilgamesch.
Maar het is warm daar in Irak
Gilgamesch neemt een bad en ondertussen
Vreet een slang  zijn levenskruid op.
Gilgamesch, het leven dat je zoekt zul je niet vinden
Toen de goden de mensen schiepen
Gaven zij de dood aan de mensheid
Het leven hielden ze zelf in de hand.
Daarom GilgameschVier dagelijks een feest
Dans en speel dag en nacht
Laat je kleren wit zijn , je hoofd gewassen
Kijk naar het kleine kind aan je hand
Moge je vrouw zich verheugen op jouw lichaam
Dat is het werk van de mensen

Wat is de mens? vraagt Gilgamesch. Iemand die door die geheimzinnige macht van de sexualiteit anders wordt dan de dieren en zo wijs als een god. Een wezen dat de macht en de verschrikking van de dood ervaart en alles wat hij kan, doet om die dood te ontlopen, eeuwig leven te verwerven. Dat lukt bijna, maar domme pech, het is alweer een slang, die verhindert dat de mens eeuwig leeft.  Dat was ook nooit de bedoeling zingt de godin. De dood was het deel voor de mensen, eeuwig leven hielden de goden voor zich zelf.  Geniet daarom van het leven, dat je krijgt, geniet van het kind dat de toekomst nog voor zich heeft. Geniet van het lijf van je partner.

Een sprong door de tijd
Op weg naar een veel jonger verhaal dan de zoektocht van Gilgamesch naar  onsterfelijkheid.
Een verhaal dat vaak maar door één speciale bril gelezen wordt als verhaal van de zondeval ( zo heet dat dan) en talloze dogma’s  en vreemde theologische constructies zijn daaromheen ontstaan.
De vrouw, die het (natuurlijk weer) gedaan heeft, De mens die na de “zondeval” een mindere status zou hebben, Het verhaal van Eva en Adam en de vrucht van die ene verboden boom een verhaal dat draait om dezelfde thema’s sexualiteit, zijn als God, kennis hebben van goed en kwaad, dood en eeuwig leven.

Luisteren we naar de slang,
Want die is de slimste van allemaal, zegt het verhaal. “Jullie mogen zeker van geen enkele boom in de tuin eten” begint hij. Slimme zet, want daarmee krijg je Eva aan de praat.
“Helemaal  niet”, zegt ze, “van alles mogen we eten, alleen van die ene niet, want dan gaan we dood!” Nu kan de slang vol in de aanval:
“Jullie gaan helemaal niet dood,
God weet, dat als jullie daarvan eten je ogen geopend worden, dat je als God zult zijn en dat je weet zult hebben van goed en kwaad.” De boom was mooi  en de vrucht was mooi.
En de vrouw von het fijn Dat de boom haar wijsheid zou schenken.
Op het eten van de vrucht volgt de ontdekking van de naaktheid, volgt het gesprek met God in de tuin en het resultaat is niet de dood maar een God die warme kleren voor zijn mensen maakt.

Maar dan…
Aan het eind van het hoofdstuk waar kennelijk iedereen over heen leest omdat het niet past in het dogmatische plaatje, citeert God e slang: Toen dacht God de Heer,
Nu is de mens aan ons gelijk geworden
Nu heeft hij kennis van goed en kwaad.
En als hij nu nog van de vruchten van de levensboom eet, die andere,
Dan zou hij eeuwig leven ….
Daarom de cherubs met het vlammende zwaard.
“Als je van die vrucht eet,
Zullen jullie worden als God”
zei de slang.
“Nu is de mens aan ons gelijk geworden”
zei God.
De slang had toch gelijk.

Verrassend verhaal, die zogenaamde zondeval.
Een God, die mooie plannen heeft met zijn tuin en met zijn mensen:
“Van alles mag je eten, maar van die ene niet,
die is niet goed voor je,
die betekent je dood.”
Een naaktheid die natuurlijk is
Ejn pas door schuld tot schaamte leidt.
Een God, die niet doodt na de overtrading
Maar die zorgzaam jassen naait voor zijn mensen.
Een god die strafwoorden spreekt tegen zijn mensen
Een Spiegel van de harde leefwereld van de Palestijnse boer:
Doorns en distels, moeite, zware zwangerschap, pijn, heerschappij.
En tegelijk laat zien dat juist die toestanden niet Gods oorspronkelijke wil zijn.

Twee verhalen
Over de mens die naar het godzijn lonkt
Die onsterfelijk wil worden.
En beide keren gezegd krijgt dat niet lukt.Geen epos dat zo wijd verbreid was als het Gilgamesch epos.
Geen Bijbel dat zo’n vergaande invloed gehad heeft op geloven en denken van miljoenen.
Zijn ze verschillend? Jazeker
Zijn ze vergelijkbaar?  Jazeker!

Misschien is het goed toch één punt te noemen.
In het Oude Nabije Oosten vragen veel mythen en epen naar de grenzen van de mens.
Hier in Gilgamesch verliest Gilgamesch zijn levenskruid en daarmee de kans op onsterfelijkheid. Pech, toeval, lot zijn de grote gestalten met de zeis.
In Genesis gaat het anders. Ook daar komt de mens aan de levensboom er niet meer aan te pas. Maar de verantwoordelijkheid daarvoor legt de Bijbelverteller volledig bij de mens zelf. Hij had natuurlijk kunnen leven in de tuin van Eden. Hij had kunnen leven van de vruchten van alle bomen. Maar hij kiest anders. Het Bijbelse verhaal de verantwoordelijkheid bij de mens zelf. Hij kon kiezen en hij koos verkeerd.  Dat is niet einde verhaal. Integendeel . Die mens moet zijn verantwoordelijkheid waarmaken. Hij gaat de wereld in  onder veranderde, verminderde omstandigheden.  Maar hij kan en zal leven.  En dat is wel een halleluja waard.

Amen.

Preek van ds. Fennie Kruize, Hoogezand, in de Grote Kerk, 13 mei 2012
Thema: Verloren of Bevrijd?
Lezingen: Lucas 15 : 1 – 6, De zorg om wat verloren is

Alle tollenaars en zondaars kwamen hem opzoeken om naar hem te luisteren. Maar zowel de farizeeën als de schriftgeleerden zeiden morrend tegen elkaar: ‘Die man ontvangt zondaars en eet met hen.’ Jezus vertelde hun toen deze gelijkenis:
‘Als iemand van u honderd schapen heeft waarvan er één verloren is geraakt, laat hij dan niet de negenennegentig andere in de woestijn achter om naar het verdwaalde dier op zoek te gaan tot hij het gevonden heeft?
En als hij het gevonden heeft, legt hij het vol vreugde op zijn schouders (6) en gaat hij naar huis. Daar roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tegen hen: “Deel in mijn vreugde, want ik heb het schaap gevonden dat verdwaald was.”

Logion 107 uit het Thomasevangelie
Het schaap op zoek naar zijn bestemming
‘Jezus zei:Het Koninkrijk is gelijk een herder die honderd schapen had. Eén ervan verdwaalde. Dat was de grootste. Hij liet de negenennegentig achter en zocht die ene, totdat hij hem vond. Omdat hij zich veel moeite getroost had, zei hij tegen het schaap: ik heb je meer lief dan die negenennegentig.’

Preek
Gemeente van onze Heer Messias Jezus, in wie de Geest van Christus is.
Het verhaal van het verloren schaap.
Zo kennen we de gelijkenis die Jezus in Lucas 15 vertelt aan de Farizeeën en de schriftgeleerden. En hij vertelt die gelijkenis, omdat de wetgeleerden, zij die de regels en de leer van het geloof door en door kennen, het er niet zo mee eens zijn, dat Jezus omgaat met tollenaars en zondaars.
Tollenaars en zondaars zijn mensen, van wie je zou kunnen zeggen, dat ze niet doen zoals het hoort. Je zou het ook onaangepaste mensen kunnen noemen.
Mensen die buiten de groep vallen.
Mensen ook die een beetje buiten de controle, uit het zicht vallen.
Mensen ook die soms dingen doen, die niet algemeen als goed aanvaard zijn, waarbij hun gedrag soms anderen schade doet, maar soms ook gewoon veroordeeld wordt omdat het anders is.
En dat is een manier van leven, waarvan de schriftgeleerden en de Farizeeën vinden, dat het verkeerd is en dat ze de verkeerde keuzes maken. met als gevolg dart ze niet met zulke mensen om willen gaan.
Jezus denkt daar echter anders over.

En om nu duidelijk te maken, waarom hij wel met de tollenaar en de zondaar om kan gaan, vertelt hij een verhaal over schapen. Schapen symboliseren bijbels gezien: kwetsbare mensen.
En , zo vraag Jezus zich af: stel nou dat één van de schapen uit de groep gaat, wat gebeurt er dan?
En ik benoem dat hier bewust even heel neutraal, zonder een kwalificatie te geven aan het schaap, dat weggaat. Omdat namelijk, wil je verstaan wat hier in het verhaal gebeurt, wel eerst duidelijk moet zijn, vanuit welk perspectief we het bekijken.
Er is een sprake van een groep, een kudde, en er is sprake van iemand die daaruit vandaan gaat. Alleen hoe waardeer je dat?
Het woord,dat aangeeft wat hier gebeurt, kun je namelijk op verschillende manieren verstaan. Je zou kunnen zeggen dat het weggaan een verlies is. Zo klinkt het in elk geval en dat zou je dus ook zo op kunnen schrijven.
Maar je zou het weggaan ook als een vorm van los maken, van je bevrijden, kunnen verstaan en ook zo beschrijven.
En wat je daarbij het meest aanspreekt, zegt meestal ook het meest over jezelf, en heeft alles te maken met de positie waarin jezelf verkeert.
Degenen die los moeten laten, die er één moeten laten gaan, uit de groep vandaan, kunnen dat als ‘verlies’ ervaren. Je raakt er eentje kwijt. Zo kan het in elk geval voelen.
Maar degene, die zich losmaakt van de groep, die een eigen weg gaat, die kan hetzelfde proces als bevrijdend ervaren.

En de volgende vraag is dan ook: Welke kant gaan de verhalen uit? Is het verlies ? Is het bevrijding? Is het één van tweeën,of is het van beide wat?
Waar beide vertellers, zowel Lucas als Thomas het over eens zijn, is dat je op zoek moet gaan. Je moet proberen die ene, die een eigen weg is gegaan toch te vinden. Het verschil zit hem echter, in hoe je omgaat met degene die weg is gegaan.
Lucas geeft geen waardering aan het schaap op zich. Het enige wat hij vertelt, is dat het op de schouders wordt genomen. En op de schouders nemen, betekent vanuit de bijbelse symboliek gezien: Terugbrengen bij God. Door God gedragen worden.
En na dat gezien te hebben, gaat de herder naar huis, en vertelt heel blij, dat hij degene die een eigen weg was gegaan, gevonden heeft.
Er staat echter niet expliciet bij, dat hij het ook terugbracht naar huis. Dat hebben we er in de kinderbijbels wel van gemaakt, maar het staat er niet.
Er staat:‘Thuis gekomen zijnd, vertelt hij hoe blij hij is, het gevonden te hebben.’
En dat is toch wat anders dan wat wij het meestal voor ogen hebben. In onze beeldvorming wordt het schaap immers terug gebracht naar de kudde. Daar binnen de groep, daar is het veilig, daar hoort het thuis. En dat we vinden,dat het ook eigenlijk zo hoort, blijkt uit de waardering, die we aan het schaap, dat een eigen weg is gegaan , hebben gegeven. We noemen het immers een verloren schaap.En daaruit blijkt, dat het leven buiten de groep, het een eigen weg gaan,negatief wordt gekwalificeerd.

En zo wordt er ook vaak over gesproken.
Een negatieve kwalificatie die we in bepaalde kerkelijke kringen bijvoorbeeld nogal eens tegenkomenwanneer het gaat over mensen die niet meer naar de kerk gaan.
Hoe vaak klinken dan niet de woorden: Afgedwaald, de weg kwijt, er niet meer bij horend. Maar ook in het gewone dagelijkse leven wordt er nogal snel zo gepraat over mensen die buiten de algemeen aanvaarde groepscode vallen. Verloren, er niet meer bij horend, niet geïntegreerd, onaangepast
Het woord verliezen zegt echter niets over degene die is weggegaan, het zegt wel iets over het gevoel van de achterblijvers. De herder, de kudde, de groep.
Zij kunnen het weggaan van één van hun als verlies ervaren. Dat houdt echter niet automatisch in, dat degene die weg is gegaan, of beter gezegd, een eigen weg is gegaan daarmee ook verloren is.En datzelfde geldt ook voor het terugbrengen bij God. Al gauw wordt het terugbrengen bij God gelijk gesteld aan het terugbrengen bij de kerk of de gemeenschap van gelovigen.
Of sociaal-maatschappelijk gezien: Weer op het zogenaamde rechte, lees ‘burgelijke’ pad brengen.
Dat is echter niet wat Lucas zegt.
Er staat alleen maar, dat hij hem bij God brengt en zelf naar huis gaat.
En bij God brengen, dat zou, zeker vanuit de manier waarop er in Jezus tijd geloofd en gedacht werd, ook wel eens kunnen betekenen:
Brengen bij de God die ook in jezelf zit, terugbrengen bij jezelf. Jezelf , je eigen wezen, hervinden. En jezelf vinden is volgens datzelfde denken en geloven: God vinden.

Een manier van geloven, die we ook in het Thomas evangelie tegenkomen. En ja, wat vertelt dat evangelie ons nu, over het schaap dat een eigen weg is gegaan en de groep heeft losgelaten. Waarin Thomas anders is, is dat hij degene, die een eigen weg gaat, positief waardeert: Hij wordt de grootste genoemd en degene die het meest lief wordt gehad. Met andere woorden, het zich losmaken van de kudde, het gaan van een eigen individuele weg, wordt door Thomas expliciet positief gewaardeerd.
En daaruit zou je kunnen concluderen dat voor Thomas niet het verlies centraal staat, maar het zich bevrijden, het zich los maken van de groep. En dat sluit aan bij wat Thomas elders in zijn evangelie laat zien. Namelijk het positief stimuleren van een eigen persoonlijke levens en geloofsweg. 

En de vraag die ik hier nu centraal zou willen stellen, is: zijn dit nu twee elkaar uitsluitende benaderingen of kunnen ze ook bij elkaar komen?

En mijn gedachte daarbij is als volgt: Vanuit de groep gezien, vanuit het perspectief van de gemeente bijvoorbeeld, zou je het zich losmaken, een eigen weg gaan, niet negatief hoeven te waarderen, met woorden als ‘verloren’ of ‘afgedwaald’, maar positief kunnen waarderen. Namelijk door het te herkennen als een legitiem individueel bevrijdingsproces, Een bevrijdingsproces dat er mag zijn.

Een positieve waardering van een eigen persoonlijke zoektocht.
En belangrijk daarbij is, dat het durven loslaten niet ervaren wordt als een laten vallen, maar als een laten gaan.
En dat kan duidelijk gemaakt worden door mensen , die zich losmaken van de groep, niet in de steek te laten, maar ze op te blijven zoeken. Wel contact houden, wel in gesprek blijven met elkaar, maar niet met de opzet om ze terug te brengen. Het lef hebben hen in hun eigen vrijheid te laten.
Maar dat contact leggen, dat geldt niet alleen voor degene die in de groep blijft. Dat geldt ook voor degene die een eigen weg gaat. Ook voor die mens is het van belang, dat hij of zij de mensen die in de groep blijven niet negatief waardeert, maar positief blijft benaderen. 

Je zou ook kunnen zeggen: Het is van belang, dat degene die een eigen geloofsweg gaat,

zich toch laat vinden. Want ook voor hen geldt: Je los maken, je bevrijden van de groep, hoeft niet in te houden dat je de groep laat vallen. En zo kan het erbij halen van het evangelie van Thomas ons helpen om als het ware ons eigen perspectief te verbreden. We kunnen daardoor iets anders naar de gelijkenis kijken en daardoor ook iets anders naar onszelf en het leven om ons heen. 

Heel simpel gezegd: Zo gelezen en verstaan is het niet erg wanneer je in de groep blijft zitten, en daar je zekerheden zoekt. Het is niet erg wanneer je een aangepast mens bent die het fijn vindt zich binnen de algemeen aanvaarde codes te bewegen. 
Het is echter ook niet erg om een eigen individuele geloofsweg te gaan, en op een eigen manier in het leven te staan. Anders zijn hoeft niet slecht te zijn. Noch tot een ander geloof, noch tot een andere cultuur behoren, noch andere gewoontes hebben.
Alleen als jij met jouw geloof, met jouw cultuur, met jouw gewoontes anderen, of jezelf, kwaad doet. Pas dan is het slecht!
Je hoeft elkaar dan ook niet uit te sluiten vanwege het anders zijn. Je kunt elkaar namelijk enerzijds in vrijheid laten gaan En elkaar anderzijds toch op blijven zoeken. En , niet te vergeten, je ook laten vinden. Waarbij voor iedereen mag gelden, wat je keuze ook is, wezenlijk blijft, dat je je daarbij op de schouders gedragen voelt.
Oftewel, dat je ervaart, dat de naam waar God voor staat, Zijn Liefde, zijn levenskracht,in alle omstandigheden en bij alle keuzes, dichtbij je, rondom je en ook in je is. Een nabijheid , een ervaren van Gods wezen, wat voorkomen kan, dat een mens verwordt tot een kwaad doend wezen, een mens die zichzelf is kwijt geraakt en wat helpen kan echt uit liefde te leven.
Waarbij ik het lied, dat we zo samen gaan zingen, gevoelsmatig als volgt zou willen toespitsen:

Thuis komen, je veilig voelen bij God is thuis komen bij jezelf.
In vrede leven met wie jij zelf bent en met wie de ander is.
En juist door die vrijheid,die je elkaar gunt,kunnen mensen echt in vrede samen leven. 
En als dat gebeurt,dan wordt het leven Licht!
Amen.

Preek van ds. G. Schievink die 17 oktober 2010 voorging in de ochtend dienst. De dienst had als thema Mystiek. Een gemeentelid heeft naar de preek gevraagd die hieronder te lezen is. 
Thema Mystiek. 
Inleiding op het thema MYSTIEK. 
Komend vanuit de drukte en de „doenerigheid‟ van ons alledaagse bestaan, zijn wij naar hier gekomen; de Grote Kerk van Drachten. 
Om hier een ogenblik bij elkaar te zijn. Om te ervaren dat ons leven is opgenomen in het grote verhaal van God-met-de-mensen. Met ons. 
Dat verhaal kan op vele manieren worden uitgedrukt, uitgebeeld, verklankt en toegelicht. 
En altijd weer zoeken we dat gevoel van eenheid van het zelf met God, met de Eeuwige, de Onzienlijke Aanwezige, Grond van ons bestaan, Bron van Leven….. 
Zoveel woorden om het Geheim, het Mysterie „ God‟ te duiden. 
Woorden zijn misschien dan ook niet het beste middel om God te willen be‟grijpen‟. 
Het is a.h.w. een „cirkelen rondom het geheim‟. 
Als ik dit zeg zit ik dicht bij het centrale woord van vandaag MYSTIEK. 
Van de vele definities die er van het begrip „ Mystiek‟ bestaan kies ik hier één van de kortste omschrijvingen: 
Mystiek is : kennis van God door de ervaring. 
De Christelijke Traditie kent vele voorbeeldfiguren die ons kunnen inspireren in onze poging om het contact tussen God en mens te ervaren. 
Vanmorgen laten we ons vooral voeden door het leven en werk van Hildegard von Bingen. 
Ze zal nog ruimschoots ter sprake komen. 
We gaan naar liederen en naar gebeden van haar luisteren en we kijken naar enkele miniaturen. 
Ik hoop dat u nieuwsgierig bent en u met een open hart wilt laten meenemen…………. 
Moge deze viering – deze Eredienst - ons brengen wat we als mens ten diepste verlangen : 
De ervaring van Gods nabijheid in ons leven. 

Overdenking : 
Mystiek is : kennis van God door de ervaring. 
…………….zei ik in mijn inleiding. 
Kort maar krachtig, maar o wat is het moeilijk uit te leggen en wat is het vatbaar voor misverstanden! 
Ik denk dat het goed is dat we niet teveel stilstaan bij wat het begrip Mystiek precies inhoudt. 
Dat is meer iets voor een cursus of voor een leerhuisactiviteit . 
Mystiek, het heeft alles te maken met ………„ AANDACHTIG LEVEN‟. 
Het gaat meer om de stilte dan om de woorden. 
Laten we het in dit uur proberen te „ proeven‟. 
Proeven met de oren als we luisteren naar de liederen en zeker ook proeven met de mond, wanneer we allen meezingen. 
Proeven met de ogen als we kijken naar de miniaturen. 
En zo we al deden, aan het begin van deze dienst : 
Proeven met onze handen als we elkaar de vredesgroet geven. 
Proeven met ons hart als we dat openstellen . 
Mystiek…..je komt er pas dichterbij als je de taal van het redeneren loslaat. 
Je hebt er de poëzie – als „verwoording van de verwondering‟ –bij nodig. 
En, de klanktaal van de muziek……! 
Ik denk daarom dat de kracht vanmorgen zit in de liederen! 
Hun dichterlijke benadering en de bijzondere toonzetting vormen in dit uur de basis – de grondtoon - voor onze ontmoeting met de Eeuwige. 
We laten ons daarbij inspireren door Hildegard von Bingen. 
Wie is/was zij? 
Ze was non – en later abdis- van verschillende Benediktijner kloosters in Duitsland. 
Ze leefde van 1098-1179. 
Behalve theologe was ze dichter en componist . 
Hildegard heeft vele liederen gecomponeerd en haar opvattingen over muziek zijn meer dan interessant….! 
Bovendien bestudeerde ze de natuur; ze was zeer goed bekend met de geneeskracht van bepaalde kruiden. 
En – niet onbelangrijk !- ze voerde een intensieve correspondentie met keizers, bisschoppen en zelfs met pausen. 
Een actieve, veelzijdige, kleurrijke vrouw! 
We zullen straks haar leven bezingen in de kleuren van de regenboog. 
U allen hebt een inlegvel in uw liturgie, waarop u twee afbeeldingen ziet. 
Het zijn twee van de in totaal 35 bewaard gebleven miniaturen. 
In deze miniaturen is door tijdgenoten van Hildegard nauwkeurig geprobeerd de visioenen van Hildegard in kleur en vorm te vatten. 
Ik kom daar zo op terug. 
Ja, Hildegard en haar visioenen……. 
Zelf spreekt ze liever van „ dagdromen‟ 

Ze heeft het in dit verband over LICHT, een speciaal licht. 
“ Vanaf mijn vroegste jaren tot op heden, nu ik meer dan zeventig jaar oud ben, heb ik altijd dit licht gezien, in mijn geest en niet met mijn ogen naar buiten, noch met enige gedachten van mijn hart, noch met behulp van mijn zintuigen. Maar mijn uiterlijke ogen blijven open en de andere lichamelijke zintuigen behouden hun daadkracht………ik noem het de „ wolk van het levende licht zelf‟. En als ik er naar kijk, verdwijnt alle droefheid en pijn uit mijn geheugen, zodat ik weer een eenvoudig meisje ben en niet een oude vrouw.” 
Het licht „herschept‟ Hildegard. Maakt haar nieuw ! 
We hoorden vanmorgen het Lied van de Schepping, zoals dat bezongen wordt in het begin van onze Bijbel. 
Wat een geweldig verhaal ! 
Tegenwoordig heerst er binnen en buiten de kerk de algemene opvatting dat we de eerste Bijbelverhalen mogen lezen als een ode aan de Schepping, een eerbetoon aan God, die als grote en intense kracht schuilgaat achter alles. 
Hoe ? We weten niet precies hoe….. 
Maar, het scheppingsverhaal uit Genesis heeft het niet over HOE de wereld is ontstaan, maar WAARTOE……WAT zit er achter ? 
Niet voor niets is voor vandaag gekozen voor de vertaling uit de Naardense Bijbel. De bijbeltekst in de tegenwoordige tijd ! 
Gods woord gebeurt nu ! 
Het gaat niet om wat er „ in het begin‟ is gebeurd, maar wat er in 
„ beginsel‟ met onze aarde - en met ons!- aan de hand is. 
Het is treffend mooi dat de Naardense Bijbel het – van oorsprong hebreeuwse - woord ROEPEN noemt. Hoe beeldend…..evocatief….! 
We hoorden het ZO klinken : 
God roept de dag en ook dat de nacht wordt geroepen !(vers 5) 
God roept het gewelf tot „ hemel‟(vers 8) 
En het droge wordt tot „aarde‟ geroepen(vers10) 
De ophoping van wateren roept God tot „ zeeën‟. 
Dat is taal met een KLANK ! Melodie…..! 
Het roepen van God heeft het karakter van benoemen, of aanstellen. Licht om de dag te laten oplichten , donker om de nacht te laten dalen. De hemel als dak boven je hoofd, de grond onder je voeten, om er te ‟aarden‟. En de zeeën, ze hebben hun eigen plek. 
En - later in het verhaal - klinkt de ROEP : 
„ Mens waar ben je ?‟ „ Waar sta je voor ?‟ 
Ja, wat een kracht zit er deze - in poëtische stijl opgestelde- geloofsbelijdenis, die zingt; van land en zee en luchten…..die zingt van ons……. 

Kijken we nu naar de miniaturen in uw liturgie en dan eerst naar het miniatuur van een visioen van Hildegard von Bingen over de schepping. ( Grote plaat TONEN) 
In de band van zwarte aarde, die wordt aangeraakt door -wat lijkt op een lichte, zilverkeurig- vingerwijzing, zien we – in medaillons gevat – de zes scheppingsdagen. 
Het licht/de vurige bal. De dag wordt geroepen ! 
We zien de mens, ruikend aan een welriekende bloem...Paradijselijk… 
Maar, ook : de mens die in de donkerte teruggevallen is… 
Terug in de chaos van de zwarte oermassa. 
Een oude man die in de zwaarte van het bestaan zijn handen opheft. 
En toch, hij is daar niet alleen : 
Hij wordt omgeven door sterren die zijn als lichtpuntjes . 
Zijn het symbolen van hoop ? Zijn het de tekens die zeggen : 
” Hoe donker het nu ook lijkt te zijn nu, je bent er niet aan overgeleverd. 
Er zijn sterren in de nacht!” 
En kijk ! Over de oude man straalt het licht van vurige vlammen! 
Uit een nieuw opkomende zon verschijnt een lichtend figuur. 
De Christusgestalte……! 
Voor Hildegard is Hij de ochtendzon; de Aurora ! 
Die raakt de oude man aan………Herschepping ! 
Hoort u op dit moment nog weer even dat prachtige lied dat we net zongen : 
Hoor ons dan nu en roep ons weg 
Uit chaos, ellende en matheid. 
Raak onze veerkracht aan………. 
Hildegard duidt de letterlijke „ neergang‟ van de mens als „ zondeval‟. 
Een vertrouwd begrip in de Christelijke traditie….. 
Maar, we mogen het – denk ik – ook ruimer zien : 
Niet iedere terugval, neergang, afgang, is gerelateerd aan de term „ zonde‟. 
Onwillekeurig moet ik nu denken aan de San-José-mijn in Chili. 
33 kompels zaten 69 dagen in het angstig duister. 
Mensen, aangeraakt door de vlam van de hoop…….. 
Mario Sepulvéda , de jonge man die we allemaal zo‟n uitbundige vreugdedans zagen uitvoeren, vlak na zijn bevrijding, zei dezelfde dag nog :” Ik werd daar beneden constant heen en weer geslingerd tussen God en duivel. Ze vochten hard om mij en uiteindelijk won God. “ 
De redding wordt door de - grotendeels Rooms Katholieke – Chilenen ervaren als een Godswonder. 
Iemand zegt :” Dit is een echte wederopstanding.!” 
Terug van de krant naar de Bijbel. 
We plaatsen de actualiteit van ons leven, van onze wereld , in dat grote verhaal van God-met-de-mensen. Ik zie die pendelbeweging als nuttig en noodzakelijk. 
En altijd weer die vraag : mens , waar ben je , waar sta je voor ? 

De mens is in de ogen van Hildegard verantwoordelijk voor het welzijn van datgene dat geschapen is. 
“ Als de mens zondigt, lijdt de schepping!” 
Dat is nu zo‟n typische Hildegard von Bingen-zin ! 
Net als :” Alles hangt met alles samen!” 
Er is een kosmische eenheid van mens en wereld. 
En – en dat is belangrijk !- die eenheid is onlosmakelijk verbonden met God. 
“Ik vormde hem ( de mens) naar mijn beeld en gelijkenis, opdat hij zich zou ontwikkelen in mijn richting” ,zo hoort ze Gods opdracht. 
Het gaat hier dus niet om „ zelfontplooiing‟ of „ zelfverwezenlijking‟. 
Dat zijn termen die we in de moderne , populaire boeken en bladen over -wat wordt genoemd- „ mindstyl‟ zo dikwijls tegenkomen. 
O, natuurlijk ; daar is op zich niks mis mee! 
Maar : 
voor Hildegard ligt de bestemming van de mens in het contact met God. 
Om die beleving gaat het haar ! 
Volgens haar draagt alles dat geschapen is ertoe bij om de grote symfonie van de Schepping te laten klinken. 
In haar geschriften vinden we vele verwijzingen naar de wereld als „een klinkende schepping‟. 
Dus niet alleen het feit dat Hildegard visioenen had - dat ze méér zag dan de gemiddelde mens - is opmerkelijk . Ze legde bovendien sterk de nadruk op wat de mens hoort, wat zij beluistert. 
“ De ziel heeft iets van muziek in zich”, zegt ze ergens. 
En :” Ieder element heeft een klank, een oerklank van Gods ordening – Gods Schepping – in zich.” 
Bij het musiceren, bij het zingen, komt een samenklank tot stand tussen de goddelijke krachten, het lofgezang der engelen en de energie van de mens……! 
Dat brengt ons – tot slot - bij de tweede miniatuur. 
Het draagt de titel „De Engelen‟. De engelen zingen, maken muziek. 
Hildegard wilde met haar liederen, met haar muziek, God loven. 
Er is een uitspraak die luidt: God troont op de zangen van mensen! 
En Psalm 150 zingt : Alles wat adem heeft love de Here. 
Moge de morgenzon ons verwarmen, het Licht van Christus ons aanraken………. 
Dat wij ons voegen in de engelenzang en al zingend onze „herschepping‟ mogen ervaren! 
Het lied van de mens : een scheppingsverhaal………. 
AMEN

Zondag 21 maart 2010 was ds. G. van der Enden voorganger in de dienst om 11.00 uur in de Grote Kerk waarin meewerkte de Drachtster Cantorij o.l.v. Henk Oosterhuis. Het thema van de dienst was: "Psalmen". Op verzoek van enkele bezoekers is de preek hieronder nog eens door te lezen.
Welkom en inleiding
Psalm 122 (gemeente gaat staan)
Bemoediging en Groet
Onze hulp is in de Naam van de HEER, die hemel en aarde gemaakt heeft, die trouw houdt tot in eeuwigheid en niet laat varen de werken van Zijn handen.
Genade zij u en vrede van God onze Vader en van de Heer Jezus Christus door de Heilige Geest. Amen.

Psalm 121 cantorij

Kyriëgebed
Op de eerste dag riep U: er zij licht en er was licht
het donker moest wijken.
En uw eerste woord, Heer God
heeft de toon gezet.
Waar U spreekt,
waar U verschijnt, 
worden we in het licht gezet
in het licht van uw genade en goedheid.

Zo komen we tot U en bidden U
voor de mensen gebukt gaan onder onrecht
voor de mensen die lijden door onderdrukking
voor de mensen die zoveel gebrek hebben,
aan eten, drinken en onderdak
Wij bidden U voor de mensen die de moed dreigen te verliezen
die overspoeld worden door twijfel en wanhoop.
Heer God laat het licht van uw genade over hen opgaan
wees bij hen,
ontferm U over hen.

Wij bidden U voor ons zelf
wij met onze vreugden en zorgen
met onze sterke en zwakke kanten,
met ons geloof en ongeloof
met het goede dat we deden en met wat mis ging,
Heer God zie ons aan in genade
en ontferm U over ons.

Wij bidden U dit in de Naam van Jezus uw Zoon,
Hij die in persoon het licht voor de wereld is.
Amen

Glorialied Gezang 301
Gebed bij de opening van de Schrift
Bijbellezing: Psalm 116
Psalm 75 cantorij

Verkondiging

Tussentijds 145 (bijgevoegd kopie)
Gebeden – stil gebed – Onze Vader
Psalm 90 cantorij
Collecte
Psalm 116 cantorij en gemeente

Zegen 
Gaat heen in vrede en ontvangt de zegen van de Heer: 
De genade van de Heer Jezus Christus en de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest is met u allen.

Psalm 119 cantorij

Preek

Gemeente van Christus,
‘Ik heb geloofd.’ Of zoals in de Nieuwe Bijbelvertaling staat: ‘Ik bleef vertrouwen’, deze woorden vormen de kern van deze psalm. 
‘Ik heb geloofd.’
 Deze woorden staan precies midden in de psalm. Als u gaat tellen zult u ontdekken dat de psalm uit 129 woorden bestaat. Tot de zin ‘Ik heb geloofd’ worden 63 woorden gebruikt en daarna ook 63. De psalm scharniert zo gezegd om het zinnetje ‘Ik bleef vertrouwen.’
Ik zal u maar gelijk zeggen, ik heb dit niet zelf gevonden of gezien. Tijdens de voorbereiding van de preek kwam ik een analyse tegen van deze psalm van de hand van Dr. Labuscangne, een oudtestamenticus. Eerst dacht ik, nou dat is leuk en aardig wat deze geleerde man heeft gezien, maar wat moet of wat kan ik er mee? Een gedachte die wellicht ook bij u opkomt.  
Maar bij nader inzien dacht ik, laat ik het toch maar eens proberen om de psalm vanuit dit zinnetje te benaderen. Want ik vind het een heel krachtig zinnetje. ‘Ik heb geloofd.’

De schrijver van de psalm beschrijft een ellendige periode uit zijn leven. Banden van de dood omknelden mij, zo schrijft hij, Hij was bevangen door angst en pijn. Ook deed hij de bittere ervaring op door de mensen in de steek gelaten te zijn. Niemand die naar mij omziet, zo roept hij uit. En ook ‘Ik kon niets meer…’ 
Nou, één ding kon hij toch nog wel, blijven geloven, hij raakte het vertrouwen in God niet kwijt.

‘Ik heb geloofd.’  Hij zegt niet: ‘goddank, ben ik het geloof niet verloren, door de ellende die ik heb meegemaakt.’ Ook horen we hem niet zeggen: ‘Dat ik nog geloof mag een wonder heten.’ Nee, heel stevig staat het er: ‘Ik heb geloofd.’ ‘Ik bleef vertrouwen.’
Dat ‘ik’ zeggen is niet zo protestants. Want het is toch genade? Geloof, vertrouwen op God, is toch ten diepste een Godsgeschenk? 
Ten tijde van de Dordtse synode in de 17e eeuw is over deze vraag stevig gedebatteerd. Over de vraag of de menselijke keuze bij geloven in God een rol speelt, of dat het enkel aan God te danken is dat een mens gelooft. 
De remonstranten waren van mening dat de menselijke keuze, al was het maar weinig, wel een rol speelde. De gereformeerden zette alles op de kaarten van God. Het was enkel genade als een mens tot geloof kwam en het geloof behield.

Ik weet niet hoe uw persoonlijke ervaring is, maar ik heb wel eens gedacht: dat ik geloof, dat ervaar ik toch wel als een wonder. Dat ik uiteindelijk het vertrouwen in God niet ben kwijtgeraakt, ook niet toen het door een donker dal ging in mijn leven, zie ik nog steeds als bijzonder. Ik voel dus wel iets voor de gedachte dat geloof in God een zaak van genade is, een gift van de hemelse Vader. 

Maar toch spreekt dat zinnetje ‘Ik heb geloofd’ mij wel aan. Er zit iets stevigs in. Iets koppigs bijna. En er klinkt een keuze in door. Hoewel ik bijna koppie onder ging door alle narigheid die over mij heen kwam, ik bleef vertrouwen, ik liet het geloof niet los. 
Het Bijbelse begrip ‘volharding’ komt dan bij mij boven. Vasthouden, volhouden, blijven vertrouwen ook als je het op dat moment niet ziet. Het je niet uit handen laten slaan door de moeilijke omstandigheden, er voor knokken.

‘Ik heb geloofd.’  Hiermee is denk ik inderdaad het hart van dit lied verwoord. Ik bleef vertrouwen, ook toen ik geen uitzicht zag.
Maar de mens in deze psalm is niet stil in een hoekje gaan zitten. Hij hield zich niet in. Als een soort refrein horen we drie maal in deze psalm wat deze mens in nood deed: ‘De Naam van de HEER riep ik aan.’ 
Ook dat is stevig. De Naam van de Heer aanroepen. 
Het is de Heer aanspreken op wie Hij is, op hoe heeft gezegd dat Hij zal zijn. De Naam die zoveel betekent als: ‘Ik ben de Aanwezige’, of ‘Ik zal er zijn.’ Een Naam die zegt: Ik ben nabij, Ik ben betrokken, Ik ben een helper in nood. 
De Naam van de Heer aanroepen is Hem vragen zijn Naam waar te maken, om te zijn wie Hij is. Het is je beroepen op wat Hij zelf heeft gezegd.

De mens achter deze psalm laat God niet los. Je zou bijna zeggen: hij heeft een geding met God. 
‘Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent…’ zo zei Jakob tegen de engel Gods met wie hij vocht aan de oever van de rivier de Jabbok. Ik laat U niet los, zoiets zegt ook de schrijver van deze psalm.
Herkent u daar iets van in uw leven? Van een geding met God. De strijd Hem niet los te willen laten, ondanks al uw vragen en twijfel?

De ervaring van de psalmschrijver is dat het niet te vergeefs is geweest, zijn vertrouwen. Want God heeft hem gehoord. 
Zeker de psalm spreekt van hulp en redding. Maar de inzet is: Ik heb de Heer lief want Hij hoort mij. 
Misschien is dat wel de diepste ervaring van deze mens: God luistert, Hij wil mijn stem horen. Hij neigt zijn oor tot mij… 
Het klinkt bijna verbazend: Hij luistert naar mij… Naar mij, klein mensenkind. 
De Almachtige God, ziet mij en hoort mij te midden van alles wat zich op aarde voordoet… Of zoals Huub Oosterhuis dichtte: ‘De Heer heeft mij gezien en onverwacht ben ik opnieuw geboren en getogen.’ 
Er is bijna niets erger dan wanneer er niet naar je geluisterd wordt. 
Gehoord worden, aandacht krijgen, een luisterend oor, zodat je kan zeggen wat je op je hart hebt. De ruimte krijgen om te zeggen wat je wilt zeggen. Serieus genomen worden, dat geeft ruimte, dat geeft lucht. Je bent dan niet meer alleen met wat er in je omgaat. Je deelt je pijn en verdriet. Zo verdeel je ook een stukje van de last die je met je meedraagt.
Dat is de ervaring van deze mens, dat God wil delen in zijn pijn. Dat God hem écht hoort.

Dat is misschien ook wel iets voor ons om over na te denken. Wij zijn vaak geneigd te snel te spreken. Want je wilt graag iets doen of iets goeds zeggen als iemand zijn of haar verhaal verteld. Ik herken dat wel bij mijzelf. Maar het kon wel eens zo zijn dat iemand meer geholpen is als een ander aandachtig luistert, dan wanneer er al snel wijze of bemoedigende woorden worden gesproken.

God hoort! Hij wil dat u zich uitspreekt. Hij wil uw klacht horen. Hij neigt zijn oor tot u, als u met uw pijn en verdriet Hem aanroept.

En God heeft gesproken. Hij bracht bevrijding. ‘Ik mag wandelen in het land van de levenden, onder het oog van de Heer.’ Zo zingt hij.

Jezus heeft deze psalm gezongen toen hij samen met zijn leerlingen het laatste avondmaal vierde. Tijdens de viering van het Pesach worden de zogenaamde hallel-psalmen gezongen, dat zijn de psalmen 113 tot en met 118. Deze psalmen sluiten af met de uitroep ‘halleluja!’ 
Jezus, die tijdens de maaltijd al ongeveer wist welke richting het met hem zou uitgaan, heeft gezongen: ‘Ik heb lief de HEER, want Hij hoort mijn stem, mijn smeken om genade.’ En ook: ‘Ik mag wandelen in het land van de levenden onder het oog van de Heer.’
Je kunt je afvragen, hoe zing je deze psalm als je weet dat gevangenneming en dood aanstaande is. Kan je nog wel zingen als je weet dat het straks heel donker wordt?

Willem Barnard, één van de liedboekdichters, zegt: zingen is niet zozeer een geloofsuiting, het is niet alleen bijvoorbeeld je dankbaarheid uiten, zingen is vooral geloof innen. Je zingt het geloof naar binnen. Door teksten van psalmen te zingen komen de woorden je ziel binnen, komen ze in je binnenste binnen. Ja, komt de Geest van de goede God zelf in je leven.
Beter is het daarom misschien te zeggen: doordat Jezus de hallel-psalmen heeft gezongen, doordat Hij heeft gezongen van God de HEER die zijn oor neigt tot wie Hem roepen, kon Hij verder, kon Hij de weg gaan waarop Hij zou volbrengen alles wat over ons geschreven is.
In de hof van Gethsemane, toen Hij het zich alleen en verlaten voelde, toen hij zijn Vader bad of de drinkbeker aan hem voorbij mocht gaan, in die moeilijke uren zullen de woorden van psalm 116 hem begeleid en gedragen hebben.

Toen ik deze week nog een moment van overleg had met Jan Renkema vroeg hij mij wat bij mij de leidende gedachte was geweest bij het samenstellen van de orde van dienst. Hij meende namelijk een bepaalde opbouw te zien. Aan het begin pelgrimsliederen, vervolgens lofliederen en tot slot, zeg maar, mystieke liederen.
Mystiek is psalm 116 zeker. De dichter weet zich gedragen door God. Hij schuilt in de schaduw van de Allerhoogste. Geborgen als hij zich weet in Gods ontferming.
 Ik moest ook  denken aan dat zinnetje ‘als eens mijn eigen adem stokt, dan draagt mij uw muziek.’ Dat is mystiek. Je opgenomen weten in Gods genade, hoe je weg ook is.

Zo is Jezus zijn weg gegaan en ons voorgegaan. En zo mogen wij Hem volgen. In het vertrouwen dat God hoort en naar ons omziet. Amen. 

Zondag 7 maart 2010 was ds G. Speelman voorganger in de dienst om 11.00 uur in de Grote Kerk. Het thema van de dienst was: "Verzoening als mensenwerk". Op verzoek van enkele bezoekers is de preek hieronder nog eens door te lezen
.

Zo wordt dit verhaal verteld in de islamitische overlevering, vanuit een heel ander perspectief:
Abraham bracht Hagar en haar babyzoon Ismaël, naar een plaats onder een boom in de woestijn, op de plek waar later Mekka zou ontstaan. In die dagen woonde er niemand en was er geen water. Hij zette een leren zak die wat dadels bevatte en een kleine waterzak bij hen neem en begon de terugweg naar huis. Ismaël’s moeder ging hem achterna: ‘Abraham, Waar ga je heen en waarom laat je ons achter in deze vallei waar geen mensen zijn en verder ook helemaal niets is?’ En ze herhaalde eindeloos, maar hij draaide zich niet naar haar om. Toen vroeg ze: Heeft God je bevolen dit te doen? Hij zei: Ja. Ze zei: Dan zal Hij ons niet vergeten. en ze keerde terug terwijl Abraham verder ging op weg naar huis. En toen hij Thaniya bereikte, waar ze hem niet meer konden zien, draaide hij zich om richting van Mekka , hief zijn handen op en riep God aan om hulp. 
Ismaël’s moeder voedde Ismaël aan de borst en dronk van het water dat ze had. En toen het water in de waterzak helemaal op was, kreeg ze dorst en haar kind ook. En ze begon naar het kind te staren dat onrustig lag te draaien; en ze liet hem liggen en ging weg, want ze kon het niet meer aanzien om naar hem te kijken en ze zag dat de berg Safa de dichtstbijzijnde berg was in dat gebied. En ze beklom hem en speurde de vallei af of er ergens iemand was; maar er was niemand. En ze ging weer van de berg Safa af naar beneden, bereikte de vallei, schortte haar rokken op en rende door de vallei als iemand achtervolgt door zorg en moeite. En toen ze de vallei had doorkruist, bereikte ze de berg Marwa, beklom hem en keek of ze iemand zag, maar ze zag niemand. En dit (dat rennen tussen Safa en Marwa) herhaalde zeven keer. En toen hoorde ze een stem en ze zag een engel op de plek Zam-zam, gravend in de aarde met zijn hiel totdat het water begon te stromen. En ze maakte een soort kuiltje eromheen met haar hand en begon met haar handen de waterzak te vullen met het water. En het water bleef maar stromen, zelfs toen ze het er had uitgeschept. Toen dronk ze (het water) en voedde haar kind. En de engel zei: Wees niet bang dat je vergeten zult worden, want dit is het Huis van God, later zullen deze jongen en zijn vader het bouwen, want God vergeet zijn mensen nooit.’ 
Alle pelgrims in Mekka gaan zeven keer heen en weer tussen de heuvels Safa en Marwa, dezelfe weg die Hagar destijds gegaan is. Daarna scheppen ze water uit de heilige bron Zamzam die door voormoeder Hagar is ontdekt. Zo is dit verhaal een levend verhaal voor alle moslims ter wereld.

Hoe kan je het verhaal in Genesis lezen als een verhaal van verzoening?
Het is integendeel een verhaal van vijandschap tussen twee vrouwen, een vijandschap die de komende generaties mee zal slepen, tot op de huidige dag. 
Zoals bekend claimen moslims hun verwantschap met die andere vrouw, met Hagar, terwijl joden en in hun voetspoor christenen zich op Sara oriënteren. 
Zo gelezen is dit eerhaal juist exemplarisch voor een kloof die nooit gedicht kan worden. En die, in het licht van de huidige politieke verhoudingen, scherp gevoeld wordt.
Het hele boek Genesis gaat over dergelijke tegenstellingen en kloven:
Tussen de zonen van Noach, Sem Cham en Jafeth. Die staan voor drie complexen van volkeren: de Afrikanen en hun afstammelingen, de Grieken en hun verwanten en de volkeren in het Midden-Oosten. 
Tussen Abraham en zijn neef Lot en diens afstammelingen, de Moabieten. 
Tussen de zoon van Sara en die van Hagar. 
Tussen de broers Jakob en Ezau en de volkeren waar zij voorvaders van zijn.
En binnen het gezin van Jakob: tussen de kinderen van zijn beide vrouwen. 
Telkens is er sprake van een breuk, een uiteengaan van mensen die vroeger bij elkaar hoorden. Zo wordt eigenlijk het thema van de torenbouw van Babel, aan het begin van het boek, aanschouwelijk gemaakt: hoe de mensen eerst bij elkaar hoorden, maar ze verstrooid raakten over de hele aarde, onderling verdeeld en verschillend. 
Genesis is het boek van de splitsingen in de mensheid, de verdelingen in volkeren en stammen. Uit al die verdelingen en splitsingen komt dan uiteindelijk het ene door God uitverkoren volk naar voren. En uit dat volk, zeggen christenen die ene uitverkoren mens. Waarvan wij deze Veertig Dagen de weg volgen. De weg die uiteindelijk leidt naar verzoening tussen God en alle mensen. 
Die weg van verzoening van die ene zoon is geen rechte, gemakkelijke weg. Misschien is daarom ook dit verhaal, als etappepost op de weg van de verzoening, geen gemakkelijk verhaal. En misschien ligt daarin wel de troost van het verhaal. 
Laten we het eens bekijken als een verhaal tussen God en mens, tussen mensen onderling.

Het gaat over een vrouw die zich bedreigd voelt. Ze leeft binnen een patriarchaal systeem, waarin rivaliteit heerst tussen zoons van dezelfde vader, omdat ze moeten delen in de genegenheid en de erfenis van die ene oppermachtige vader. Lachte Ismael inderdaad spottend, zoals onze vertaling het wil? Of lachte hij gewoon maar, net zoals Sara had gelachen toen de mannen haar kwamen vertellen dat ze een zoon zou krijgen. En zoals ze later lachte van blijdschap lachte toen het kind geboren werd, zodat ze het da naam Izaak, lachebekje gaf. Er wordt veel gelachen kortom in de geschiedenis van Izaak totdat de verkeerde lacht, de zoon die het spiegelbeeld is van zijn broer, die net als hij deel wil hebben aan de lach. Dan wordt het bedreigend. Dan moet hij weg.

De verteller van het verhaal maakt ons duidelijk dat dit niet een verhaal is van helden en schurken, van goede en slechte karakters. Dat maken wij er wel van. We willen zo graag dat er een rechtvaardiging is, een morele grond voor het wegsturen van Ismael en zijn moeder. Maar de schrijver van Genesis maakt het ons in dit opzicht niet gemakkelijk, want hij laat zien dat het een kwade zaak was in de ogen van Abraham, en hij doet ook geen poging om de onrechtvaardige opstelling van Sara goed te praten. Hier gebeurt iets dat in zichzelf verkeerd is. En toch moet het gebeuren, want dit is iets dat God gewild heeft. Er worden keuzen gemaakt, die op zichzelf niet te rechtvaardigen zijn. Onschuldige mensen moeten lijden. En toch zit er een richting in, een plan. En ook laat God de mensen die onrecht wordt aangedaan niet in de steek. 
Er is wel gezegd, dat het verhaal van Hagar in de woestijn met haar zoon een parallel is van het verhaal van Abraham die even verderop ook zijn enige overgebleven zoon naar de berg brengt om hem daar te offeren. De hele toekomst staat op het spel, menselijker wijs gesproken lopen alle wegen dood. En dan is er een bron, een schaap, een weg om te gaan. Dan komt er een nieuwe en zelfs schitterende toekomst. Die komt er niet dankzij het logische en moreel hoogstaande werk van mensen. Hij valt onverhoeds hen ten deel. Alle lijkt dood te lopen en toch is er een weg.

Alleen op die manier kan je Genesis zien als een boek van verzoening. Een boek van verzoening van de grootste tegenstellingen: die tussen broers en broers, vaders en zonen, vrouwen van dezelfde man. Er zijn geen ergere ruzies dan familieruzies. 
Genesis is waarschijnlijk op schrift gesteld na de terugkeer van Israel uit de ballingschap, en dat is belangrijk om te verdisconteren als je het leest. Een volk dat in zichzelf verdeeld was en de weg kwijt was, verliest alles. En mag dan terugkomen in het land dat ooit van hen was. Maar dat land is inmiddels bewoond door anderen, leest u de boeken Ezra en Nehemia er maar op na. Er zijn mensen die niet mee zijn gegaan op ballingschap, en die hebben zich vermengd met anderen. Er zijn de altijd rivaliserende buurvolkeren, de Edomieten, de Moabieten. Hoe gaan we uit deze multiculturele en zeker ook multireligieuze samenleving een gezamenlijke identiteit opbouwen? Dat is de vraag van waaruit de schrijver van Genesis uit de schatkamer van alle bekende verhalen aan het werk gaat. Verhalen over onze gemeenschappelijke voorvader Abraham en zijn kinderen. 
En hij laat telkens twee dingen zien: nee, het is niet gemakkelijk om samen op te trekken. We hebben in het verleden al eens vreselijk ruzie gehad, de tegenstellingen hebben diepe wortels. Er is veel oud zeer dat onze verzoening in de weg staat. Je moet niet te gemakkelijk denken over de verschillen die wij met ons meetorsen. Aan een optimistisch verhaaltje over ‘dat we uiteindelijk toch allemaal hetzelfde geloven’, daar hebben we niks aan. We zullen keuzes moeten doen. 
En anderzijds: vergeten jullie nooit, Israël, dat al die volkeren waar jullie het zo moeilijk mee hebben, die jullie het liefst vandaag nog de nek om zouden willen draaien, uiteindelijk allemaal jullie broeders en zusters zijn. We hebben hoe je het ook wendt of keert met elkaar te maken, we kunnen nooit meer uit elkaar. De schrijver kiest daarom ook niet voor een gemakkelijk verhaal van goeden en slechten. Iedereen die zijn verhaal leest ontkomt er niet aan om medelijden te voelen met Hagar, de weggestuurde vrouw, alleen gelaten door degene van wie ze afhankelijk was. De schrijver laat ons weinig ruimte over om sympathie te voelen voor Sara, die juist het lachen van Hagars zoon als bedreigend ervaart. En ook al niet voor Abraham die zich door Sara laat manipuleren tot iets wat hem niet aanstaat. En God? God lijkt niet aan de kant van de goeden te staan, van de zwakke en uitgebuite vrouw, maar aan de kant van de winnaars van de geschiedenis.  
Maar is dat zo? Is het verhaal van God met Hagar niet uiteindelijk ook een weg naar verzoening? 
(verhaal van Tabataba’i) 
De schrijver van Genesis houdt zijn volk de spiegel voor, net als Ismael,een spiegel was voor zijn broertje Izaak toen hij lachte. Dat is een bedreigende spiegel, want als je erin kijkt blijkt misschien dat je niet zo heel veel van je broer verschilt. Alleen dan door je uitverkiezing. maar zou die uitverkiezing misschien niet juist zijn dat het aan jou is om de eerste stap te doen? Op zo’n manier, kunstig en in beelden, laat de Bijbelschrijver zijn volk nadenken over de eigen identiteit na de ballingschap, in dat multiculturele land. 
Verzoening is niet een kant en klaar pakket dat we vanuit onze luie stoel kunnen consumeren. Verzoening is ook niet een gemakkelijk snel product: een beetje goodwill van beiden kanten en het komt dik in orde. Daarvoor is er vaak teveel gebeurd, zijn de tegenstellingen te hoog op gelopen. Dat heeft de schrijver van Genesis goed door.  De conflicten tussen volkeren en mensen, tussen mensen en God zijn huizenhoog en we komen er niet met een leuke publiciteitscampagne. We draaien onszelf telkens vast als e denken dat het gemakkelijk en goedkoop kan, daar in Afghanistan, in Sudan, tussen mensen in één gezin die op elkaar stukgelopen zijn. Daarom komt Gods verhaal als het ware van buiten op ons af. Wordt ons van ergens anders aangereikt. Ergens vandaan wordt ons op een gegeven moment een spiegel aangereikt. Iemand lacht, en er komt iets in beweging als wij de spiegel aanpakken en erin kijken en met een schok ontdekken dat het gelaat dat ons van daaruit aankijkt dat van die ander is, van een arme zwarte dienstmeid, het gelaat van degene die deze veertig dagen de hele weg is gegaan door de woestijn?