Nog even natafelen

Soms zit je opeens zelf in een ouderwets kerstverhaal. Twee weken voor de kerst zocht ik mijn mooiste kerst cd weer eens op. Christmas with Emma Kirkby en het Westminster Abbey Choir. Met o.a. een eng mooie uitvoering van het Silent Night. Vond ik wel het kunststof doosje maar de cd zat er niet meer in! Het hele huis doorzocht. Nergens te vinden. Op het internet gezocht. Niet meer leverbaar. Nou moe!
Een week later bezocht ik een dementerende vriend in een verpleegtehuis. Allemaal oudjes ‘in de mist’ om een lange tafel. Eén mevrouw werd door een verzorgster gestimuleerd eens wat op een mondharmonica te spelen. Zo’n mevrouw met grijze krulletjes en een donkere blik. Schijnbaar kwaad maar dat was zij niet. Na enige aarzeling pakt zij de mondharmonica op en begint bijna foutloos het Stille Nacht te spelen. Eén mondharmonica aan de mond van een vrouw van dik in de tachtig. Een heel ijl geluid. Voor sommige aan tafel trok de mist een beetje op. En ik vroeg mij af: wat is er nou mooier, de prachtige stem van Emma Kirkby of het zuivere maar dunne geluid van deze oude mevrouw?
Het echte kerstverhaal sluit helemaal niet aan bij het romantische kerstgevoel van Stille Nacht. Dat gaat over vluchtelingen waar geen plaats voor is. En over misdaden tegen de menselijkheid (kinder-
moord) . Dat nou juist even niet met kerst! Geen plaats in de herberg en bij mij geen plaats voor dat verhaal. En voor alle mensen die dat verhaal telkens opnieuw beleven. Het is altijd zo dubbel die kerst. Mijn stemming was het afgelopen jaar toch al een beetje bedorven door de berichtgeving in de media over kerkverlating in Nederland. En over het loslaten van geloof. Die ontwikkeling bleek al veel verder dan ik had gedacht. En zo’n bericht blijft dan toch een beetje meezingen.
Een romantisch kerstverhaal en een rauw kerstverhaal. Het schuurde bij mij.
Maar het spel op de mondharmonica is mij bijgebleven. Ik kan somberen over een uitstervend geluid. Maar ik kan ook simpel luisteren. Soms, onverwacht, is het er nog: een ijle stem. Een melodie zonder woorden die toch appelleert aan een verhaal. Zo zal het ook wel met God zijn en blijven. Hij dondert niet vanuit hoge hemel maar hij appelleert met een ijl geluid. Hé mens, waar ben je? Waar ben je mee bezig? Waar is je broeder? En dan kan een dementerend oudje zomaar opeens boodschapper worden. Ik ben er van overtuigd dat dat appèl zal blijven klinken. Ook in een ontkerkelijkt en ongelovig Nederland. De manier waarop kan ik misschien niet eens verzinnen. Een godsbeeld kan definitief verdwijnen. Zijn stem niet.
Dat geeft mij toch weer vertrouwen voor een wereld die ik ook eens zal moeten overlaten aan jongeren na mij. Kom op kinderen, je ziet er nu misschien niets meer van. Maar hou je oren toch maar open. Want steeds weer klinkt er ergens een Stem. En wat zou het mooi zijn als jullie die ook nog eens een keer mogen opvangen. Want dan aard je pas echt in deze wereld.

René Romijn

God of een mooi meisje
Sommige recensenten hechten veel waarde aan de openingszin van een boek. Een zin die de lezer meteen pakt. Wat ik zelf wel spannend vind zijn de slotzinnen van een boek. Ik geef u er één als voorbeeld: ‘Ik wil mijn God terug. En ze sturen me een meisje.’ Slotzinnen op pagina 435 van het boek “God weet’ van Joseph Heller (1984). Als je nou niet weet waar die andere 434 bladzijden over gaan (overigens heel boeiende bladzijden) wat zijn dit dan intrigerende zinnetjes.! Laat ze maar eens op u inwerken.
Het boek gaat over David en zijn strijd met Samuël, met Saul, met zijn vijanden en zijn vrouwen. En met zijn God. Aan het eind van het boek is David oud en komt niet meer van zijn bed af. Warm worden kan hij ook niet meer en dan probeert zijn hofhouding hem te helpen met dekens. En door een mooi meisje bij hem in bed te stoppen. Maar zelfs daar krijgt de oude man het niet meer warm van (1 Kon. 1:
1 t/m 4). Dat is maar goed ook. Stel je voor dat hij dat meisje zwanger had gemaakt, was er weer een troonpretendent bijgekomen…
David is in dit boek niet een moderne ongelovige. Iemand die blij is dat hij van zijn geloof af is. Maar zo ééntje die je in onze tijd ook nog wel eens tegenkomt. Niet van ‘Hoera! Ik ben van dat stomme geloof af.’ Maar van: ‘Wat jammer, ik ben mijn geloof kwijt.’ Hij mist iets.
De erotiek waarvan onze cultuur verzadigd is (boeken, films, tv, reclames, noem maar op) is dus ook niet nieuw. Ook in de tijd van David was het al een sterk middel om de mens af te leiden of te verleiden. Die oude David werd er niet meer warm of koud van, maar wij wel. Anders zou het niet zo veelvuldig gebruikt worden in deze tijd.
‘Ik wil mijn God terug. En ze sturen me een meisje.’ Daarmee eindigt Joseph Heller zijn boek. Maar daar begint misschien wel het boek van de westerse mens van nu. Die machtige, beschermende,
verzorgende god is hij kwijt en die krijgt hij ook niet meer terug. Daarvoor kan hij troost zoeken in alle vormen van genot die de westerse cultuur heeft te bieden. Maar hij blijft toch ook een gemis voelen. En wat moet hij daarmee?
Wij beleven eigenlijk boeiende tijden. De mens lijkt vrij van alle goden en wat gaat hij nou met die vrijheid doen? Geen hogere macht meer om op terug te vallen. Maar wel genoeg eigen kracht om de stormen van het leven te doorstaan? Wim Kan had zo’n oudejaarsliedje: ‘Waar gaan wij in het nieuwe jaar naartoe?’ Dat is eigenlijk nog steeds actueel: ‘Waar gaan wij in de nieuwe tijd naartoe?’ Mogelijk-
heden zat,dankzij wetenschap en techniek meer dan ooit. Maar voor iedereen? Misschien gaan wij wel een hoop moois bewerkstelligen, ondanks de zogenaamde wereldleiders van nu...misschien. Het hangt ervan af wat die ‘ze’ in het laatste zinnetje van “God weet’ voor ogen hebben. En of wij ons laten inpakken door dat mooie ‘meisje’.
Ik zit wat oude brieven te lezen. Ze zijn geschreven aan mijn vader toen hij ondergedoken zat in de laatste jaren van de oorlog in Den Haag. Hij wilde niet tewerkgesteld worden in Duitsland. Het was een eenzaam bestaan voor hem daar in die kast en ook nog hongerwinter. De mensen die hem schreven wilden hem bemoedigen en verwachtten eigenlijk allemaal een nederlaag van Duitsland, een nieuwe tijd. En die is er gekomen. Wel heel anders dan de mensen toen in de verste verten konden vermoeden. Maar die sterke verwachting vind ik mooi. Veel van die brievenschrijvers putten moed uit hun geloof. Een heel ander geloof dan het mijne. Maar hun idealen van vrede en gerechtigheid zijn toch ook de mijne. Die zijn van alle tijden. Dat zijn ‘mooie meisjes’ om warm voor te lopen.
René Romijn

Waterstromen
Het water stroomt, de lucht stroomt en het licht stroomt. Zo is mijn beleving bij een grote rivier. Altijd als ik bij zo’n stroom kom geeft mij dat een gevoel van euforie. Het zijn levensaders die voorzien in zoet water en voedsel. Voor mensen en vogels. En , anders dan de wind, geven grote rivieren mij rust. Alles vloeit in een gestaag tempo en waardoor de Waal of de IJssel ook bevaren worden, het worden nooit snelwegen. Een rivier is als een aorta in een lichaam, een slagader van vitaal belang voor het in stand houden van dat lichaam. En dan ook nog zo onbeschrijfelijk mooi.
Geen wonder dat ook bijbelschrijvers onder de indruk waren van grote rivieren. Het eigen land, Israël, kende die niet. De Jordaan was en is maar een miezerig stroompje. Maar als zij de Hof van Eden beschrijven hebben zij het plotseling over vier grote rivieren (Genesis 2). De Eufraat en de Tigris noemen zij bij name. Dat waren nog eens bijzonderheden! De Israëlieten hebben ze tijdens de ballingschap leren kennen en werden erdoor geïmponeerd. Die ballingschap wordt in Psalm 137 zelfs even aangeduid met deze natuurfenomenen: ‘Aan Babels stromen daar zaten wij…’.Een rivier zet blijkbaar aan tot nadenken, tot contemplatie en soms tot heimwee. Naar Sion bijvoorbeeld. De Israëlieten waren van oorsprong geen echte riviermensen, het waren landmensen, grondmensen. Hoeveel te meer zal een grote rivier hen verbaasd hebben. Maar voor hen bleven toch de akkertjes trekken….
Grote woorden, euforie.
Een lichaam bestaat echter niet alleen uit slagaders. Er zijn ook kleine aders, haarvaten zelfs. En ook die kleine ‘stroompjes’ zijn belangrijk. Wat is Drachten zonder de Drait en Utrecht zonder de Vecht? Hoe kan een oog functioneren zonder heel dunnen bloedvaten? Of de longen? En ook zo’n klein riviertje heeft zijn eigen charme en zijn eigen functie.
Gek. Opeens realiseer ik mij dat ik rivieren en aderen beschrijf alsof het één geheel is. Misschien zijn ze samen wel een zinnebeeld van het menselijk leven. De stroming van een rivier als beeld van het gestaag voortvloeien van een mensenleven, steeds maar één richting op. In haar loop kan het water van alles tegenkomen, diverse landschappen en steden. En obstakels. De bloedvaten als beeld van de vitaliteit van een mens. Die kan ‘vloeiend’ zijn maar ook verstopt raken. Mensen kunnen bloeien maar hun leven kan zich ook vernauwen.
En de rechtvaardige? Die is als een boom geplant aan het water (Psalm 1). Waterstromen, ze laten mij niet los.

René Romijn

Ons visioen
Ik ben van na ‘de’ oorlog. Mijn kinderen hebben de verhalen nog van horen zeggen. Mijn kleinkinderen weten niet meer waar ik het over heb. Dat is mooi: opgroeien zonder oorlogsverhalen. Niet weten hoe een razzia voelt, hoe een hongerwinter ruikt of wat het geluid is van een bombardement. Jongeren vieren de vrijheid met popconcerten, maar wat zij vieren is eigenlijk dagelijkse kost voor hen: vrijheid. Een bezettende macht is spannende jeugdlectuur, net zo spannend als ridderverhalen of piratenfilms. Ouderen proberen de herinneringen aan die ‘echte’ oorlog nog vast te houden, maar zij worden ingehaald door de tijd. Het collectieve geheugen lost op als de mist onder een opklimmende zon.
En zo is het goed.
Of ben ik alweer van vóór de oorlog? Eentje die ik nog niet zie aankomen? Oorlogen zijn immers van alle tijden, ze horen bij de mensheid. En ze kunnen zomaar uitbreken. Misschien is de volgende oorlog zelfs al begonnen. Zonder tanks en zonder vliegtuigen met bommen. Maar met andere machtsmiddelen. Met grondstof-
fen bijvoorbeeld of met computerkennis. Waterschaarste of landbouwbestrijdings-
middelen . Geen slagveld bij Stalingrad maar eentje op de effectenbeurs.Letterlijk bloedvergieten is uit de tijd (hoewel…). Nu betwisten wij elkaar misschien wel kansen op welvaart, recht op een menswaardig bestaan. ‘Geen geld, geen Zwitsers’
zeiden onze leiders in de 16e en 17e eeuw. En nu? Geen geld geen ict-kennis, geen geavanceerde robottechniek, geen knowhow om de zeespiegelstijging te weerstaan.
Wat een gesomber.
‘Zeg opa, weet je wat ik later wil worden?’’Nee kerel, zeg het eens.’ ‘Toneelspeler!’
‘Wauw, dat is mooi. En waarom wil je dat?’ ‘Nou, dan kan ik alles worden wat ik wil.’’
Acht jaar… Kijk dat is optimisme. Misschien hebben wij dat wel nodig. Er is geen garantie dat het goed komt met ons. Die is er nooit geweest. Is gebleken na Auschwitz en Hiroshima. Maar wat wij nodig hebben zijn dromen en vergezichten. Die visioenen van de profeten van vroeger. Zij vormen de brandstof om ons streven naar een rechtvaardige wereld gaande te houden. Zonder droom geen nieuwe wer-
kelijkheid, zonder vergezicht geen verlangen naar een toekomst.
‘Uw koninkrijk kome’ bidden wij in de kerk. Dat is geen zekerheidje. Dat is een aansporing, het bepalen van een richting. Dat is ons visioen!

Renë Romijn

Licht
Als bevoorrechte mensen waren wij afgelopen zomer in de gelegenheid de oudste synagoge van Frankrijk te bezoeken. Hij staat in Carpentras (omgeving Avignon) en is gebouwd in 1367. Aan de buitenkant ziet hij er niet indrukwekkend uit: een gebouw met net zo’n gevel als de panden ernaast. En vrij toegankelijk is hij niet. Op een bepaald uur ging de deur bijna schielijk open en werden de paar bezoekers snel naar binnen gelaten. Waarna de deur achter ons weer op slot ging. Ook nu nog, of nu weer, zijn Joden in Frankrijk blijkbaar niet veilig…
In het gebouw bevinden zich nog een oude mikwe (ritueel bad) en een bakkerij voor matzes en challe (sabbatsbrood). En die zijn al zo’n 560 jaar in gebruik!
Wat mij in de eigenlijke synagogezaal hier opviel waren de vele lampen. En in allerlei stijlen: gotische kroonluchters, barokke lampen van glasslingers en oriëntaalse (‘ara-
bische’) lampen. En natuurlijk in de oudste vorm: de menora. Voor de arke, de kast waarin de torarollen bewaard worden, hing ook nog een brandende godslamp in weer die oriëntaalse stijl. Het eeuwig licht want God is er immers altijd. Licht in allerlei stijlen. Het had voor mij ook iets aandoenlijks alsof de Joden hier geprobeerd hadden zich steeds weer aan te passen aan de veranderende culturen. Ik had deze ruimte wel eens helemaal verlicht willen zien op een avond. Dat moet een fantastisch gezicht zijn: licht in al die verschillende stijlen, al eeuwen in functie. ‘Er zij licht!’
Het eerste wat God volgens Genesis op deze aarde schiep. Licht als de provencaalse zon maar ook in de betekenis van verlichting in het menselijk duister. En dat op allerlei manieren.
Toen wij weer buiten kwamen liepen daar mensen van een franse vakbond te protesteren. Ook zij wilden licht zien en wel in de ongelijke loonsverhoudingen. Een godslamp hadden zij niet in hun midden, wel een heuse trommelaar en zij hadden felrode t-shirts aan. Op de barricaden!
Wij zochten onze bezadigde camping weer op vol pensionado’s. De zon scheen nog even maar toen betrok de lucht en barstte een onweer los. En opeens knetterde er licht aan alle kanten om ons heen.

René Romijn

JSN Decor template designed by JoomlaShine.com