Cool

Op kampeervakantie vorig jaar in Frankrijk kwamen wij in een hittegolf terecht. Nee, die 45 gr.hebben wij gelukkig niet meegemaakt. Maar toch. Dan merk je dat je de hele dag met die warmte bezig bent. Waar vind ik nog een plekje schaduw op die kamping? Drink ik wel genoeg? Hoe laat is het, begint die zon al te zakken? Hé, is dat een vleugje wind? Niks doen, stil zitten, de hitte van de dag doorstaan. Hopen op een beetje afkoeling in de nacht. Het ging een beetje lijken op een obsessie.
En dan krijg je droombeelden over ‘thuis’. Over een koele badkamer, de hitte buiten kunnen sluiten, de zonnewering om 7.00 uur ‘s- morgens al naar beneden. Een droog kussen. Niet meer die hete weg op hoeven.
Op twee plaatsen vind je dan in Frankrijk koelte: in een supermarkt en in een oude kerk. Dus ga je het bezoek in zo’n supermarkt rekken. Maar dat kost meestal geld. Het bezoek aan een oude kerk is gratis. Je gaat zitten en kijkt om je heen. Of bij jezelf naar binnen. Waarom zit ik hier? Is zo’n vakantie eigenlijk nog wel leuk? Pfff, ik kan hier toch niet de hele dag blijven zitten?
Bij zo’n retraite zag ik in een zijkapel een martelaar liggen. In een soort glazen kist.. Hij lag een beetje te kijk vond ik. Hoe lang lag hij hier al? Eeuwen! Niet bevangen door de hitte maar ingehaald door de tijd. Gelukkig was het maar een beeld van hem. Ik stond op het punt mijzelf ook een beetje martelaar te voelen. Maar mijn aanwezigheid hier was vrije keuze.
Geloven is toch eigenlijk ook verkoeling zoeken voor de hitte van de dag. Voor de hectiek van het leven. Een soort wolk in de woestijn. Beschutting tegen alles wat ‘te’ is. Die beschutting vind ik in de stilte van een oude kerk. In de grandioze melodieën van Palestrina. In het zwijgen van de sterren. In een blik of enkel gebaar van mijn vrouw.
En dan geloof ik maar dat God daar iets mee te maken heeft. Ik ga daarover niet theologiseren want dan loop ik vast in mijn eigen ratio. Steeds meer krijg ik het vermoeden dat geloof daar niet veel mee te maken heeft. Het lijkt wel een geheim dat niet onthuld weer worden. Een beschutting die niet verklaard wil worden. Een invulling van de leegte die niet beschreven wil worden. Het zij zo. Ik heb er genoeg aan. En voel mij ermee gezegend. Eigenlijk vind ik dat toch ook wel cool.

René Romijn

Krioelende beestjes

In niemandsland, door bomen aan het oog onttrokken, staat de ruïne van een kerk van een vrouwenklooster. De muren staan nog overeind, het dak is verdwenen. Eigenlijk is er niks te zien. Het is er doodstil. Ik sta midden in de ruïne en hoor de ijle vrouwenstemmen toch nog resoneren in mijn hoofd. Onder de resten van de kerk ontspringt een kleine bron. Er krioelen allerlei beestjes in het water wat vroeger ‘heilig’ heette. Soms komen hier nog mensen want in een nisje staat een Mariabeeld (los, ik kan het zo meenemen, doe dat niet) met uitgebrande waxinelichtjes erbij.
Het geheel is verlaten, vervallen en doods. Maar niet het kerkhofje ernaast. Er zijn daar plaquettes op stenen bevestigd uit recente jaren. Netjes onderhouden, plastic bloemen hier en daar. Mensen willen blijkbaar nog steeds begraven worden naast dit bouwval. De zusters zijn al eeuwen verdwenen, hun mysterie nog niet.
Sommige mensen vergelijken de kerk in onze tijd ook wel eens met een ruïne. Zo nu en dan komt er nog eens iemand kijken. Er groeien planten uit de muren. Het dak is er allang af. Moeilijk te vinden ook tussen al die ‘bomen’. En als er dan plotseling één in de fik vliegt, zoals de Notre Dame in Parijs, ervaart men dat ook wel als een bezegeling van een lot.De hoogtijdagen van de kerk zijn voorbij. De laagtijdagen lijken soms ook al achter ons te liggen. Bij menigeen overheerst spijt en nostalgie bij gedachten aan de kerk.
Maar als er onder zes eeuwen oude muren vandaag nog steeds water kan ontspringen, zelfs met allerlei beestjes erin, waarom zou het dan nu definitief afgelopen zijn met onze kerk? Wij mensen laten het soms eeuwenlang afweten, maar er blijft water stromen. Er blijven beestjes krioelen. Er blijft leven.
En wat ook blijft is het mysterie. Zelfs als wij daar nauwelijks meer weet van hebben willen wij er toch naast begraven worden. Muren brokkelen af, eeuwenoude daken gaan in vlammen op. Maar het mysterie blijft rondwaren en appelleren. In allerlei vormen. Op genoemde ruïne was ook een informatiebordje bevestigd over dit gebouw. Iemand had in dat bordje een davidsster gekrast met daarboven het woordje ‘ciel’ (hemel) en daaronder het woord ‘terre’ (aarde). Wij zijn 100% aards maar hebben het vermoeden van nog een andere werkelijkheid. En of wij die nou symbolisch aanduiden met een ster of met een kruis of met nog iets anders, het is er. En het roept ons aan. ‘Mens, waar ben je mee bezig?’ Die stem zal nooit verstommen.
René Romijn

Geen avondgebed…..

Het geplande avondgebed op 19 april gaat niet door: corona! Ik zou daarin voorgaan en was er al wat mee bezig geweest. Maar opeens is alles anders. Daarom ben ik gaan nadenken over een gebed en wil het resultaat hiervan met u hieronder delen. Het zijn mijn woorden en daarom kan het zijn dat u zich er helemaal niet in herkent. Probeer dan uw eigen woorden te vinden.
René Romijn

God van Job
Terwijl de vogels de lente inzingen slaat ons de schrik om het hart.
Terwijl de magnolia bloeit zitten wij angstig binnen.
Terwijl de zon klimt zakt ons de moed in de schoenen.
Wij voelen ons bedreigd zoals zo vaak Uw psalmdichters.
En wij roepen U aan zoals ook zij deden:
Ontferm U over ons.

God van Jona,
Wij bidden u niet om ons leven te sparen maar onze hoop.
Wij vragen niet om genezing maar om kracht om te doorstaan.
Wij bidden U niet voor onszelf maar voor onze kinderen:
dat zij zullen leven
en de goede wegen zullen vinden om onze aarde weer op adem te laten komen.
Dat zij kunnen onderscheiden tussen leugen en waarheid.
Dat zij zullen volhouden dat Uw rijk mogelijk is.
Ontferm U over hen.

Onze God,
Zie om naar Uw wereld en naar Uw mensen.
Zie om naar kleinen en groten, sterken en zwakken.
Licht ons bij op ons pad door duisternis en onbegrip.
Houdt ons vast in Uw visioen voor onze wereld.
Heer, ontferm U.

Een glimp van de eeuwigheid
Een toelichting op het gedicht, te vinden op de glazen deuren, en andere bezienswaardigheden in de grote kerk

Bij de jongste restauratie van de Grote Kerk in Drachten zijn glazen tochtdeuren aangebracht. Maar volgens de architect was dat niet zonder gevaar: bezoekers zouden door het heldere glas niet in de gaten kunnen hebben dat zij deuren voor zich hadden. En daar pijnlijk mee in aanraking kunnen ko-men. Dus moest er volgens bouwvoorschrift iets op de deuren worden aangebracht om ongelukken te voorkomen.

Ik vond het een hele eer om het verzoek te krijgen of er op de deuren een gedicht van mij aangebracht mocht worden. Nou, zeg daar maar eens ‘nee’ tegen! Dat aanbrengen is trouwens gebeurd via een methode van zandstralen in glas. Naar ik begrepen heb door een firma in Duitsland. Het is mijn gedicht ‘Grote Kerk’ geworden en daar wil ik graag een toelichting op geven.

Drachten is van oudsher een turfdorp, een dorp van mensen die hard moesten werken in de turfstekerij. En daar verwijzen de eerste regels van mijn gedicht naar: ‘gestoken turf smeult nog na…’ Opvallend was dat bij genoemde restauratie ontdekt werd dat er turf is gebruikt in deze kerk, waarschijnlijk als isolatiemateriaal tussen het plafond en de muur. Restanten daarvan zijn zichtbaar gemaakt boven de tochtdeuren.
Die turfstekers moesten niet alleen hard werken maar zaten – zo stel ik mij voor – met pijnlijke ruggen ook nog eens ’s-zondags op harde banken in de kerk. Hoe hard en hoe recht (hoekig) kunt u zelf nog beleven als u eens gaat zitten op één van de paar oude houten banken die er nog overgebleven zijn.

Veel moois is er in deze kerk te zien. En zeer opvallend daarbij is zeker ook het orgel van Hillebrand. Nee, niet te vergelijken met het juweel in b.v. de Martinikerk in Groningen of de Jacobijnerkerk in Leeuwarden. Maar elke keer als ik in onze Grote Kerk kom wordt mijn blik toch getrokken naar dat hele fraaie instrument. Wat mij daarbij opvalt is dat de orgelbouwer gespeeld heeft met een getal: het getal 7. (…speelt het orgel met zeventallen…) Het rugwerk van het orgel bestaat uit 11 segmenten met elk 7 pijpen. En het hoofdwerk ook. 11 keer 7 is 77 (twee maal het getal 7). Zeven is een bijzonder getal in de Bijbel: de 7 scheppingsdagen. Het wordt ook wel genoemd het getal van de volheid. En die 7 x 11 x 2 orgelpijpen laten het instrument ‘vol’ klinken!

Wat ik ook bijzonder vind zijn de gebrandschilderde ramen van de gebroeders
Staak. Bijzonder omdat ze zo kleurrijk zijn. Maar ook bijzonder omdat ze geen bijbelse voorstellingen bevatten. Iets wat je misschien wel zou verwachten in een kerk… Nee, het zijn symbolen van de we-reldse macht:’ …waar de macht van weleer zichzelf verkondigt in kleurrijke ramen…’ De Staten van Friesland b.v. Ze dateren uit een tijd waarin gewone mensen niets te zeggen hadden over het bestuur. De macht berustte bij overheden die zich door arme turfstekers niets lieten gezeggen. En dat werd hen in de kerk nog eens ingepeperd. Want als de preek saai was dwaalde je blik naar die ramen naast de preekstoel. Toch vind ik ze schitterend. En tja, er zijn nog altijd saaie preken… 

En dan in de wintermaanden als het vroeg donker is. Wat een schitterende verlichting heeft onze kerk dan d.m.v. de kroonluchters. Eigenlijk zijn ze qua stijl al een beetje te oud voor dit 18e eeuwse gebouw. Ze komen dan ook van elders. Maar wat een koperen weelde: ‘…..kroonluchters zweven met distinctie…’ En kijk hoe ze hun licht ook werpen op de symbolen die uitgesneden zijn in het hout van de preekstoel.

Zoveel moois ( ik heb nog lang niet alles genoemd of verwerkt in mijn gedicht) maar uiteindelijk gaat het natuurlijk niet daarom in een kerk. Een kerk hoort een kloppend hart te hebben voor kleine en geringe mensen. De armen hebben wij immers nog altijd bij ons. En dat kloppende hart kunt u ook horen als de torenklok het uur aan-
geeft : ‘….maar elk uur bonkt het hart dit bouwwerk in de keel…’ En dat bonken klinkt dwars door gesproken woord en gezang heen. Een herinnering aan onze roeping: wij horen er te zijn voor onze medemens. Tenminste, zo voel ik het.
Het gedicht was al gemaakt voor de restauratie van de kerk. Omdat ik altijd al gehouden heb van dit gebouw. Eén van de weinige bouwkundige juweeltjes in Drachten. Dit monument zal er niet staan tot in der eeuwigheid, maar tot die tijd mag het er een glimp van zijn. Ga maar lezen die deuren.

René Romijn

Kwijt
Eén van mijn broers is homosexueel. Mijn oudste en beste vriend is homosexueel. En beide missen iets. De één is tot zijn adolescentie ‘in de kast’ blijven zitten, de ander zijn halve leven. Allebei zijn ze heterosexueel getrouwd geweest ( kan dat?). Eén heeft er zelfs kinderen aan overgehouden. Maar die huwelijken konden natuurlijk niet goed gaan. Daarna zijn ze allebei homosexueel getrouwd. De één is dat nog, de ander heeft ook dat huwelijk alweer achter de rug. En beide missen iets. Ze zijn, net als ik, een beetje ouder nu. De één is in de zestig, de ander in de zeventig. De één is op zijn vijftigste opgehouden met werken na een mooie loopbaan,. De ander is een begaafd muziekrecensent geweest. En beide missen nog steeds iets.
Wat missen zij dan allebei?
Hun jeugd! Een fase in hun leven die ze is afgenomen. Geen vrolijke, opstandige, experimentele pubertijd. Nee, angst voor ontdekking heeft hen beheerst. Angst voor wat je te wachten zou staan als je er op school of thuis voor uit zou komen dat je op jongens viel. Dan toch maar voor de schijn er een vriendinnetje op na houden? En dan ook nog eens angst voor God. De Heere hield immers niet van liefde tussen twee mensen van hetzelfde geslacht?! Dat was zonde en op zonde zou straf volgen. Eeuwige straf. Beide is ook deze angst ingepeperd. Soms openlijk en woordelijk. Soms in bedekte termen. Soms suggestief. Het was een sfeer die voortdurend om hen heen hing. Een ‘normale’ jeugd missen zij nog altijd en kijken wel eens met afgunst naar jongeren van nu. Zo oud als zij zijn. ‘Ze hebben mij m’n jeugd afgeno-
men! ‘
En dat is helaas nooit meer terug te draaien.
Waarom vertel ik u dit nu? Omdat ik denk dat dit wel te voorkomen was geweest. Hadden ze b.v. nu maar een opa of oma gehad die ruimte had geboden. Die desnoods een kennisje hadden verzonnen die homo was. En die daar gewoon positief over hadden gesproken. ‘Ken je André? Nee? Nou, dat is zo’n aardige jongen en hij valt op jongens.. Zo leuk! Hij is er al even onhandig mee als je opa vroeger met meisjes.’ ‘Is dat dan niet slecht, oma?’ ‘Slecht? Hoe kom je daar nu bij! Verliefdheid is toch altijd leuk? Of het nou tussen jongens is of tussen jongens en meisjes. Het is altijd hartstikke leuk en spannend!’ ‘Ben jij dan vroeger wel eens verliefd geweest op een meisje, oma?’ ‘Nee, dat niet, maar het had zomaar gekund.’
En was er nu maar een predikant geweest die jongeren had bevrijd uit de hel van een verknipte jeugd. Ja, die ook…. Maar zulke grootouders en predikanten zijn er nu wel. Toch? Al hebben die twee makkers van mij er nu niets meer aan.
René Romijn

JSN Decor is designed by JoomlaShine.com