Een glimp van de eeuwigheid
Een toelichting op het gedicht, te vinden op de glazen deuren, en andere bezienswaardigheden in de grote kerk

Bij de jongste restauratie van de Grote Kerk in Drachten zijn glazen tochtdeuren aangebracht. Maar volgens de architect was dat niet zonder gevaar: bezoekers zouden door het heldere glas niet in de gaten kunnen hebben dat zij deuren voor zich hadden. En daar pijnlijk mee in aanraking kunnen ko-men. Dus moest er volgens bouwvoorschrift iets op de deuren worden aangebracht om ongelukken te voorkomen.

Ik vond het een hele eer om het verzoek te krijgen of er op de deuren een gedicht van mij aangebracht mocht worden. Nou, zeg daar maar eens ‘nee’ tegen! Dat aanbrengen is trouwens gebeurd via een methode van zandstralen in glas. Naar ik begrepen heb door een firma in Duitsland. Het is mijn gedicht ‘Grote Kerk’ geworden en daar wil ik graag een toelichting op geven.

Drachten is van oudsher een turfdorp, een dorp van mensen die hard moesten werken in de turfstekerij. En daar verwijzen de eerste regels van mijn gedicht naar: ‘gestoken turf smeult nog na…’ Opvallend was dat bij genoemde restauratie ontdekt werd dat er turf is gebruikt in deze kerk, waarschijnlijk als isolatiemateriaal tussen het plafond en de muur. Restanten daarvan zijn zichtbaar gemaakt boven de tochtdeuren.
Die turfstekers moesten niet alleen hard werken maar zaten – zo stel ik mij voor – met pijnlijke ruggen ook nog eens ’s-zondags op harde banken in de kerk. Hoe hard en hoe recht (hoekig) kunt u zelf nog beleven als u eens gaat zitten op één van de paar oude houten banken die er nog overgebleven zijn.

Veel moois is er in deze kerk te zien. En zeer opvallend daarbij is zeker ook het orgel van Hillebrand. Nee, niet te vergelijken met het juweel in b.v. de Martinikerk in Groningen of de Jacobijnerkerk in Leeuwarden. Maar elke keer als ik in onze Grote Kerk kom wordt mijn blik toch getrokken naar dat hele fraaie instrument. Wat mij daarbij opvalt is dat de orgelbouwer gespeeld heeft met een getal: het getal 7. (…speelt het orgel met zeventallen…) Het rugwerk van het orgel bestaat uit 11 segmenten met elk 7 pijpen. En het hoofdwerk ook. 11 keer 7 is 77 (twee maal het getal 7). Zeven is een bijzonder getal in de Bijbel: de 7 scheppingsdagen. Het wordt ook wel genoemd het getal van de volheid. En die 7 x 11 x 2 orgelpijpen laten het instrument ‘vol’ klinken!

Wat ik ook bijzonder vind zijn de gebrandschilderde ramen van de gebroeders
Staak. Bijzonder omdat ze zo kleurrijk zijn. Maar ook bijzonder omdat ze geen bijbelse voorstellingen bevatten. Iets wat je misschien wel zou verwachten in een kerk… Nee, het zijn symbolen van de we-reldse macht:’ …waar de macht van weleer zichzelf verkondigt in kleurrijke ramen…’ De Staten van Friesland b.v. Ze dateren uit een tijd waarin gewone mensen niets te zeggen hadden over het bestuur. De macht berustte bij overheden die zich door arme turfstekers niets lieten gezeggen. En dat werd hen in de kerk nog eens ingepeperd. Want als de preek saai was dwaalde je blik naar die ramen naast de preekstoel. Toch vind ik ze schitterend. En tja, er zijn nog altijd saaie preken… 

En dan in de wintermaanden als het vroeg donker is. Wat een schitterende verlichting heeft onze kerk dan d.m.v. de kroonluchters. Eigenlijk zijn ze qua stijl al een beetje te oud voor dit 18e eeuwse gebouw. Ze komen dan ook van elders. Maar wat een koperen weelde: ‘…..kroonluchters zweven met distinctie…’ En kijk hoe ze hun licht ook werpen op de symbolen die uitgesneden zijn in het hout van de preekstoel.

Zoveel moois ( ik heb nog lang niet alles genoemd of verwerkt in mijn gedicht) maar uiteindelijk gaat het natuurlijk niet daarom in een kerk. Een kerk hoort een kloppend hart te hebben voor kleine en geringe mensen. De armen hebben wij immers nog altijd bij ons. En dat kloppende hart kunt u ook horen als de torenklok het uur aan-
geeft : ‘….maar elk uur bonkt het hart dit bouwwerk in de keel…’ En dat bonken klinkt dwars door gesproken woord en gezang heen. Een herinnering aan onze roeping: wij horen er te zijn voor onze medemens. Tenminste, zo voel ik het.
Het gedicht was al gemaakt voor de restauratie van de kerk. Omdat ik altijd al gehouden heb van dit gebouw. Eén van de weinige bouwkundige juweeltjes in Drachten. Dit monument zal er niet staan tot in der eeuwigheid, maar tot die tijd mag het er een glimp van zijn. Ga maar lezen die deuren.

René Romijn

Kwijt
Eén van mijn broers is homosexueel. Mijn oudste en beste vriend is homosexueel. En beide missen iets. De één is tot zijn adolescentie ‘in de kast’ blijven zitten, de ander zijn halve leven. Allebei zijn ze heterosexueel getrouwd geweest ( kan dat?). Eén heeft er zelfs kinderen aan overgehouden. Maar die huwelijken konden natuurlijk niet goed gaan. Daarna zijn ze allebei homosexueel getrouwd. De één is dat nog, de ander heeft ook dat huwelijk alweer achter de rug. En beide missen iets. Ze zijn, net als ik, een beetje ouder nu. De één is in de zestig, de ander in de zeventig. De één is op zijn vijftigste opgehouden met werken na een mooie loopbaan,. De ander is een begaafd muziekrecensent geweest. En beide missen nog steeds iets.
Wat missen zij dan allebei?
Hun jeugd! Een fase in hun leven die ze is afgenomen. Geen vrolijke, opstandige, experimentele pubertijd. Nee, angst voor ontdekking heeft hen beheerst. Angst voor wat je te wachten zou staan als je er op school of thuis voor uit zou komen dat je op jongens viel. Dan toch maar voor de schijn er een vriendinnetje op na houden? En dan ook nog eens angst voor God. De Heere hield immers niet van liefde tussen twee mensen van hetzelfde geslacht?! Dat was zonde en op zonde zou straf volgen. Eeuwige straf. Beide is ook deze angst ingepeperd. Soms openlijk en woordelijk. Soms in bedekte termen. Soms suggestief. Het was een sfeer die voortdurend om hen heen hing. Een ‘normale’ jeugd missen zij nog altijd en kijken wel eens met afgunst naar jongeren van nu. Zo oud als zij zijn. ‘Ze hebben mij m’n jeugd afgeno-
men! ‘
En dat is helaas nooit meer terug te draaien.
Waarom vertel ik u dit nu? Omdat ik denk dat dit wel te voorkomen was geweest. Hadden ze b.v. nu maar een opa of oma gehad die ruimte had geboden. Die desnoods een kennisje hadden verzonnen die homo was. En die daar gewoon positief over hadden gesproken. ‘Ken je André? Nee? Nou, dat is zo’n aardige jongen en hij valt op jongens.. Zo leuk! Hij is er al even onhandig mee als je opa vroeger met meisjes.’ ‘Is dat dan niet slecht, oma?’ ‘Slecht? Hoe kom je daar nu bij! Verliefdheid is toch altijd leuk? Of het nou tussen jongens is of tussen jongens en meisjes. Het is altijd hartstikke leuk en spannend!’ ‘Ben jij dan vroeger wel eens verliefd geweest op een meisje, oma?’ ‘Nee, dat niet, maar het had zomaar gekund.’
En was er nu maar een predikant geweest die jongeren had bevrijd uit de hel van een verknipte jeugd. Ja, die ook…. Maar zulke grootouders en predikanten zijn er nu wel. Toch? Al hebben die twee makkers van mij er nu niets meer aan.
René Romijn

Bedenkelijk loeien

‘Dat is een waarheid als een koe!’ luidt de uitdrukking. En men bedoelt daarmee: een waarheid die overduidelijk is en onomstreden. Wat dat met koeien te maken heeft weet ik niet. Toen ik onlangs in de kathedraal van Troyes zat schoot mij deze uitdrukking te binnen. Ik zag een machtig gebouw om mij heen, met kolossale zuilen, prachtige gebrandschilderde ramen en een immense ruimte. Hoog, lang, indrukwekkend. Een gebouw dat iets uitdrukt, zeker voor de middeleeuwer waaromheen het opgetrokken was. Dit is een waarheid als een koe, dit geloof is onomstreden, vanzelfsprekend, gewoon waar.
De kathedraal drukt dat nog altijd uit, maar komt die boodschap nu nog over? Buiten zag ik veel vrouwen met hoofddoeken rondlopen. Zij koesteren een andere waarheid. En wij bouwen geen kathedralen meer. Welke waarheid is voor deze in de plaats gekomen? Wat drukken onze imposante gebouwen van nu uit?
Wij hebben indrukwekkende hoge bankgebouwen en kantoorpanden. Denk aan de zuidas van Amsterdam, aan de ‘city’ van Rotterdam. Kolossale gebouwen van beton en veel glas. Zij drukken trots uit, macht en waarheid. Maar er is toch een verschil met zo’n oude kathedraal. Die is ook imposant aan de buitenkant maar vooral aan de binnenkant. Pas daar zie je de kleuren van de ramen, de dragende zuilen, de beelden en beleef je de ruimte. En soms kun je er wat moois horen. Zo’n ka-
thedraal moet je in.
Onze imposante gebouwen zijn alleen imposant aan de buitenkant. Zij nodigen niet uit om naar binnen te gaan. De binnenkant is er alleen voor het eigen personeel. En die binnenkant is eigenlijk saai. Werkruimtes die allemaal op elkaar lijken. De boodschap van onze kantoorgebouwen zit aan de buitenkant. Ook een waarheid als een koe, maar niet toegankelijk voor iedereen. Heb je wel een toegangspasje?
Ik zie de macht van het christelijk geloof (als kracht terecht, als wereldlijke macht een aanfluiting) tegenover de macht van het geld. Onze eigentijdse waarheid luidt: gelukkig ben je pas, succes heb je pas, als je veel verdient. Vergaar kapitaal en zeker het in beton en glas. Lukt dat niet dan blijf je buiten staan en kun je je vergapen aan het succes van anderen.
Er is van alles af te dingen op mijn opmerkingen. Maar denk er toch eens over na als je weer eens een koe hoort loeien. Gelukkig kan dat nog in Friesland.

René Romijn

Ongelooflijk!
Waarom verdwijnt het woordje ‘god’ niet uit ons taalgebied? Uit allerlei onderzoeken blijkt dat Nederlanders steeds minder gelovig zijn, in elk geval minder kerks. Maar het lijkt wel alsof allerlei zelfverklaard ongelovigen dat woordje ‘god’ steeds vaker gebruiken. In een uitdrukking als ‘ik weet bij god niet…’ of ‘oh mijn god!’ Herkent u dat? En dan heb ik nog niet eens over het woordje god als stopwoord (‘ja, god, dat weet ik ook niet.’) of in het bekende nederlandse gvd. Geert Mak schreef ‘Hoe God verdween uit Jorwerd.’ En dat zou hij nu kunnen uitvergroten tot ‘Hoe God verdween uit Nederland’. Maar dus niet uit de Nederlandse taal. O ja, en ‘Jezus!’ als krachtige term is ook nogal in.
Het is voor zelfverklaard gelovigen heel verleidelijk om een antwoord te formuleren op de vraag aan het begin van dit stukje. Maar daar waag ik mij niet aan. Ik ben geen socioloog of taalwetenschapper. Mij valt alleen maar iets op. Wel heb ik soms de neiging om bij bovengenoemd gebruik van dit woordje te vragen: ‘Bij welke god?’ of ‘Wie is jouw god dan?’ maar de mensheid zou mij nietbegrijpend aankijken.
Even wat anders: zelf gebruik ik het woordje ‘god’ steeds minder. Het heeft mij nooit los in de mond gelegen, maar ik ben ook steeds aarzelender geworden om het te gebruiken. In gesprekken, in veronderstellingen en zelfs in gebeden. Weet u nog precies wie God is, waar Hij is, wat Hij doet? Ik constateer bij mijzelf verlegenheid met de inhoud van dat kleine woordje. Vandaar misschien mijn steeds grotere aarzeling het te gebruiken.
Nog iets wat mij opvalt: het gebruik van de term ‘ongelooflijk’. Als je kracht bij wil zetten bij wat je zegt gebruik je tegenwoordig de term ‘ongelooflijk’. Of het nu in de reclame is, in de krant of op de t.v.,
de term valt te pas en te onpas.’Heel’ of ‘enorm’ is niet meer sterk genoeg. Nee, het moet ongelooflijk! zijn Wij praten tegenwoordig graag in de overtreffende trap. Raar eigenlijk, er komt enerzijds steeds meer ‘god’ in onze taal en anderzijds steeds meer ‘ongelooflijk’. Kan dat samenhangen?
Misschien heeft het ook wel wat moois. God is als het ware geprofaniseerd. Hij is afgedaald uit Zijn hoge hemel en Hij heeft zich verstopt in onze taal.Volgens het Bijbelverhaal verspreidde God de mens
vanuit Babel over de aarde door zijn taal te verwarren. En waar bleef Hij zelf? Misschien heeft Hij zich toen al verstopt in onze taal. Om te kijken wat wij met Hem doen? En met elkaar? Gebruik je Mij als krachtterm? Ben je nonchalant en onverschillig over Mij? Herinner je je Mij als je ergens van schrikt?
Nee hoor, dit is geen nieuw dogma. Het is slechts een omzwerving van mijn gedachten.En dan ook nog beperkt tot de nederlandse taal. Het wezen van God laat zich niet vastleggen. Maar een beetje troostend vind ik bovengenoemde gedachte wel. Het zijn van God hangt niet af van ons geloof. Niet van ons. Hij zou zomaar verborgen kunnen zitten in iets onverwachts als taal. Zelfs in de taal van ongelovigen.

René Romijn

Moeilijke keuzes

‘Ik weiger dus. Ik zie af van het hiernamaals. Ik blijf. Al was het alleen maar om nog een tijdje in God te geloven.’
Aldus één van de hoofdpersonen, een zekere Joseph, in het boek ‘Hertog van Egypte’ van Margriet de moor (1996). Deze zigeuner (tegenwoordig zouden wij zeggen ‘Roma’) heeft de dood al aan-
gezegd gekregen maar hij wil er nog niet aan. Een heftig boek vol melancholie en felle kleuren, net als zigeunermuziek. Wat mij intrigeert is de gedachte in bovenstaand citaat dat een levende in staat is in God te geloven. Een dode blijkbaar niet. Het doet denken aan dergelijke uitspraken in de Psalmen.
Tegen beter weten in willen vasthouden aan het leven. Heel menselijk. Maar voor mij ook een beetje dubieus. Bij ons in de Grote Kerk hangt ook apparatuur om een stilstaand hart weer met stroomstoten aan het tikken te krijgen (AED). Maar voor mij zijn die dingen een beetje bedreigend. Ik draag een niet-reanimeren-penning. Niet dat ik niet gehecht ben aan het leven – in tegendeel – maar ik besef op mijn leeftijd ook dat je dat niet eeuwig vast kunt houden. En als je dat toch probeert kunnen de gevolgen wel eens benauwend zijn. Hoeveel procent kans heb je op blijvende schade na reanimatie? Op mijn leeftijd griezelig veel….Het zijn maar percentages en je kunt altijd (?) aan de goede kant van de score zitten, maar toch. Ik ben de laatste jaren in een aantal verschillende verpleegtehuizen en revalidatiecentra geweest. Gelukkig niet voor mijzelf. Maar wat ik daar zag stemde mij niet vrolijk. Apathie, volledige afhankelijkheid van verzorgenden, mensen ‘in de mist’, mensen opgesloten in hun lichaam niet meer tot spreken in staat. Ik weet wel dat je zoiets nooit helemaal kunt voorkomen. Soms neemt het leven je gewoon te grazen. Maar wat ik er aan kan doen om te voorkomen dat ik een ‘kasplantje’ word, doe ik. Vandaar mijn penning.
Geen gemakkelijke zaken dit. Ook niet voor de naasten. Die vinden het vaak een beetje eng: de dood lijkt zo dichterbij te komen. ‘Je hebt je er al mee verzoend’, zoiets. En als je dan een handtekening zet onder een niet-reanimeren- formulier voelt dat toch een beetje alsof je een knop definitief omzet. Ik wil immers mijn kleinkinderen ook nog zo graag zien opgroeien. Dus begrijp ik de Joseph in ‘Hertog van Egypte’ maar al te goed.
Ik probeer mijzelf te herpakken in Appelscha. Daar staan in het bos van die stoere naaldbomen. kaarsrechte stammen met aan de voet een omtrek van ruim een meter of meer. Twintig meter hoog met daar boven mijn hoofd van die mooie, doorzichtige naaldkronen. Die bomen stralen standvastig-heid uit: ‘Hier sta ik en ik blijf hier staan tot…’Ja, ook deze bomen gaan eens om. Door een storm of door ouderdom of door een kettingzaag van een mens. Maar vooralsnog stralen ze wilskracht uit. En levensvreugde. Bomen hebben geen bewustzijn (toch?) maar ik wel. Ik zou willen zijn als zo’n boom, rustig, standvastig, levend door alles heen. Kome wat komt. Wetend dat er ooit aan mijn wortels ook een bijl zal liggen. Maar desondanks vol verwachting zijn. Steeds hoger reiken. De wind door je naalden voelen. Sappen omhoog zuigen uit de grond. Leven.
Zo, ik ben er weer. En opeens bedenk ik mij dat die uitspraak van Joseph in het boek van Margriet de Moor ook nog wat anders kan betekenen. Namelijk dat geloven hoort bij het aardse leven. En dat dat in het hiernamaals helemaal niet meer aan de orde is . Daar wordt geen geloof meer gevraagd, veronderstel ik, maar daar ‘zien wij van aangezicht tot aangezicht’. Wat dat dan ook mag betekenen. Dus dan hangt Joseph eigenlijk meer aan het aardse leven dan dat hij uitkijkt naar een hiernamaals. En is dat ook niet gewoon menselijk?.
René Romijn

JSN Decor is designed by JoomlaShine.com