Moeilijke keuzes

‘Ik weiger dus. Ik zie af van het hiernamaals. Ik blijf. Al was het alleen maar om nog een tijdje in God te geloven.’
Aldus één van de hoofdpersonen, een zekere Joseph, in het boek ‘Hertog van Egypte’ van Margriet de moor (1996). Deze zigeuner (tegenwoordig zouden wij zeggen ‘Roma’) heeft de dood al aan-
gezegd gekregen maar hij wil er nog niet aan. Een heftig boek vol melancholie en felle kleuren, net als zigeunermuziek. Wat mij intrigeert is de gedachte in bovenstaand citaat dat een levende in staat is in God te geloven. Een dode blijkbaar niet. Het doet denken aan dergelijke uitspraken in de Psalmen.
Tegen beter weten in willen vasthouden aan het leven. Heel menselijk. Maar voor mij ook een beetje dubieus. Bij ons in de Grote Kerk hangt ook apparatuur om een stilstaand hart weer met stroomstoten aan het tikken te krijgen (AED). Maar voor mij zijn die dingen een beetje bedreigend. Ik draag een niet-reanimeren-penning. Niet dat ik niet gehecht ben aan het leven – in tegendeel – maar ik besef op mijn leeftijd ook dat je dat niet eeuwig vast kunt houden. En als je dat toch probeert kunnen de gevolgen wel eens benauwend zijn. Hoeveel procent kans heb je op blijvende schade na reanimatie? Op mijn leeftijd griezelig veel….Het zijn maar percentages en je kunt altijd (?) aan de goede kant van de score zitten, maar toch. Ik ben de laatste jaren in een aantal verschillende verpleegtehuizen en revalidatiecentra geweest. Gelukkig niet voor mijzelf. Maar wat ik daar zag stemde mij niet vrolijk. Apathie, volledige afhankelijkheid van verzorgenden, mensen ‘in de mist’, mensen opgesloten in hun lichaam niet meer tot spreken in staat. Ik weet wel dat je zoiets nooit helemaal kunt voorkomen. Soms neemt het leven je gewoon te grazen. Maar wat ik er aan kan doen om te voorkomen dat ik een ‘kasplantje’ word, doe ik. Vandaar mijn penning.
Geen gemakkelijke zaken dit. Ook niet voor de naasten. Die vinden het vaak een beetje eng: de dood lijkt zo dichterbij te komen. ‘Je hebt je er al mee verzoend’, zoiets. En als je dan een handtekening zet onder een niet-reanimeren- formulier voelt dat toch een beetje alsof je een knop definitief omzet. Ik wil immers mijn kleinkinderen ook nog zo graag zien opgroeien. Dus begrijp ik de Joseph in ‘Hertog van Egypte’ maar al te goed.
Ik probeer mijzelf te herpakken in Appelscha. Daar staan in het bos van die stoere naaldbomen. kaarsrechte stammen met aan de voet een omtrek van ruim een meter of meer. Twintig meter hoog met daar boven mijn hoofd van die mooie, doorzichtige naaldkronen. Die bomen stralen standvastig-heid uit: ‘Hier sta ik en ik blijf hier staan tot…’Ja, ook deze bomen gaan eens om. Door een storm of door ouderdom of door een kettingzaag van een mens. Maar vooralsnog stralen ze wilskracht uit. En levensvreugde. Bomen hebben geen bewustzijn (toch?) maar ik wel. Ik zou willen zijn als zo’n boom, rustig, standvastig, levend door alles heen. Kome wat komt. Wetend dat er ooit aan mijn wortels ook een bijl zal liggen. Maar desondanks vol verwachting zijn. Steeds hoger reiken. De wind door je naalden voelen. Sappen omhoog zuigen uit de grond. Leven.
Zo, ik ben er weer. En opeens bedenk ik mij dat die uitspraak van Joseph in het boek van Margriet de Moor ook nog wat anders kan betekenen. Namelijk dat geloven hoort bij het aardse leven. En dat dat in het hiernamaals helemaal niet meer aan de orde is . Daar wordt geen geloof meer gevraagd, veronderstel ik, maar daar ‘zien wij van aangezicht tot aangezicht’. Wat dat dan ook mag betekenen. Dus dan hangt Joseph eigenlijk meer aan het aardse leven dan dat hij uitkijkt naar een hiernamaals. En is dat ook niet gewoon menselijk?.
René Romijn

Over geurtjes en andere bevindingen

Kun je muziek zien? Kun je de zon horen? Kun je geluk ruiken? Kun je angst proeven? Nou, zo ja, dan smaakt dat laatste niet naar meer. Onze zintuigen kunnen heel gevoelig zijn maar ze zijn ook
heel individueel bepaald. Mooi, lekker of vies, tot op zekere hoogte is dat voor iedereen weer anders. Ieders gevoel is uniek, ieder mens is uniek. Hoewel wij wel graag een mening vormen over wat iedereen zou moeten vinden.
Smaak is/wordt ook aangeleerd. Je kunt een kind laten wennen aan zoet of juist niet. Muzikale smaak kun je vormen en ouders geven hun kinderen vaak mee wat mooi is. Ja, wat zij mooi vinden. Tot de mens puber wordt en een eigen smaak gaat ontwikkelen op allerlei gebied. Of die van leeftijdgenoten overneemt.
Heeft geloof nou ook te maken met onze zintuigen? Is ook dat individueel gebonden? Wordt ons geloof gevormd door onze ouders? Ontwikkelen pubers ook op dit gebied een eigen smaak? Dat zijn vragen die de kerk in de loop van de eeuwen niet heeft onderkend. En daar plukken wij nu de vruchten van. Dat niet onderkennen kon omdat de mens niet zozeer gezien werd als een individu maar als een onderdeeltje van de grote kudde. En voor die kudde waren alle smaken bepaald.
Even wat moderne cliché’s hierover op een rijtje: geloof ruikt naar mottenballen, het is iets voor ouwetjes. Geloof smaakt naar niks, je proeft er eigenlijk niet veel van. Het zichtbare van geloof? Kran-tenkoppen over misbruik door priesters en ouderlingen. T.v beelden van mensen die God loven door met hun armen in de lucht te zwaaien en hun ogen weg te draaien. Bij geloof hoort tegenwoordig een ongemakkelijk gevoel: wat moet je met die mensen die er nog wat aan doen? Ja, je moet iedereen respecteren, maar kun je in deze tijd een gelovige nog wel serieus nemen? Wetenschap en techniek lijken een heleboel functies van het geloof overgenomen te hebben.
Nou, dit wordt zo een somber verhaal voor een kerkblad. Toch niet. Want op alle vragen die ik aan het begin stelde kun je ook antwoorden: ja, muziek kun je zien. Kijk maar naar de beelden die u zich in gedachten vormt bij de Mattheus Passion. En geen nieuwe hit zonder bijpassende videoclip. Ja, de zon kun je horen, bijvoorbeeld via een radiotelescoop. Ja, geluk kun je ruiken, dat is de geur van een baby. En ja, angst kun je proeven, maar dat moet je niet teveel doen want het heeft een vies smaakje.
En geloof? Vergeet alle beelden, geuren en smaken. Geloof is immers vanuit het gehoor ( Romeinen 10:17) en niets anders. Bedrijf wetenschap en geniet van babygeurtjes, maar reserveer je oren voor het geloof. Het komt tot je in een fluister en het geritsel van blaadjes. Het raakt je aan met muziek en het wordt je uitgelegd door de stem van iemand die roept in de woestijn. De kunst is alleen om het te onderscheiden in die storm van geluiden die leven heet.
René Romijn

Goede smoes?
Ja, ik spijbel ook wel eens. Nee, niet van school ten behoeve van het milieu. Maar van het wereldnieuws voor mijn eigen gemoedsrust. Met name als het gaat over vluchtelingenkampen. Maar het lukt mij niet altijd. Zo stond er onlangs een recensie in Trouw over het boek ‘Niemand wil ze hebben. Europa en zijn vluchtelingen’ van Linda Polman. En dat viel mij toen weer rauw op mijn dak. In haar boek schrijft zij o.a. over kinderen met aangekoekte snottebellen, over pislucht, gebrek aan eten en medicijnen, over angst en wanhoop. En het Europees cynisme hierover. Eén zin trof mij speciaal bij deze recensie: ‘Uiteindelijk moeten wij dit paradijs delen.’ Het gaat dus over ons en ons paradijs van welvaart, rechtsbescherming, hygiëne, stromend water, voedseloverschotten en medische voorzieningen. En het gaat over delen. Niet zomaar een brok toewerpen of een girootje uitschrijven. Nee, het gaat over delen. Wauw, dat hakte er bij mij wel weer even in, zeker ook dat woordje ‘moeten’ en dat dreigende ‘uiteindelijk’. Dreigend?
Ik spijbel ook wel eens van de kerk op zondagmorgen. Laatst was het weer zover. Ik liep in mijn dooie eentje om half tien over de Wijnjeterper Schar. Schitterend! Een heldere zon, twee grazende reeën op 100 meter bij mij vandaan, kwetterende vogeltjes en een paar hoogzwangere wolbalen. Opeens begonnen er in de verte kerkklokken te luiden. Wat een prachtig geluid in dit landschap! Maar het was voor mij ook een soort wake-up call. ‘Jij kan nou wel wegvluchten voor vluchtelingenkampen maar daarmee hef je ze nog niet op…’ En toen galmden er allerlei verhalen over de Wijnjeterper Schar. Verhalen over het breken en delen van brood en vissen. Verhalen over een vraag van een rijke man, over gelijkenissen, over een kameel die zich door het oog van een naald wil wringen.
Het vervelende van spijbelen is dat je ook altijd weer terug moet naar ‘school’. En dan staat daar natuurlijk die leraar op jou te wachten. ‘Hé, waar was jij gisteren? Je was niet afgemeld!’ Vliegensvlug bedenk je een smoes. ‘Ach meneer, ik was op zoek naar een politieke partij.’ ‘Een politieke partij?!’ ‘Ja, één die in haar programma het begrip delen nou eens echt serieus neemt.’ ‘En, heb je zo’n partij gevonden?’ ‘Ja meneer, en u moet daar ook op stemmen!’ ‘ Zullen wij het eerst even over jouw spijbelen hebben?’
René Romijn

Column "In mijn herinnering"
Bij het klooster in Ter Apel stappen wij uit de auto. De stilte in. Geen geluid meer van een auto(weg), geen gebrom van vliegtuigen, geen stemmen. Wij gaan het klooster in en blijken op dat moment de enige bezoekers. Wij vergapen ons aan middeleeuws houtsnijwerk met bijbelse taferelen en een eigentijds wandkleed met scènes uit het boek Job. Ook ondergaan wij de wonderlijke stilte die de schilder Helmantel heeft vastgelegd in een aantal interieurs van dit klooster.
Weer buiten lopen wij naar een restaurantje en vinden daar vier vrouwen die zitten te haken rond een tafel. Zij praten met elkaar met gedempte stemmen over….? Er is geen muziek in deze ruimte.
Na de koffie lopen wij over het Kanunnikenpad. Daar langs staan oeroude eiken met olifantenhuid
met elkaar te smoezen over de goede oude tijd. Toen er nog monniken voorbij kwamen met wereldvreemde ideeën. Wij dwalen en verdwalen door oude en nieuwe bossen op zoek naar een wolf. Maar die vinden wij niet.Misschien maar goed ook. Wel hakken overal spechten accenten in de stilte. Waar zijn de mensen nu? O gelukkig, daar loopt er één! Kunnen wij tenminste de weg vragen uit dit bomendoolhof.

Thuis sla ik argeloos nog even een krant op. Meteen davert de wereldherrie mij in het gezicht. Ge-
schrokken vouw ik hem weer dicht en leg hem op de stapel oud papier. Ik mijmer nog wat na over wereldvreemde monniken, middeleeuws houtsnijwerk en het boek Job. ‘Zeven dagen en zeven nachten bleven ze (zijn vrienden) naast hem (Job) op de grond zitten zonder iets tegen hem te zeggen, want ze zagen hoe vreselijk hij leed.’(hoofdstuk 2 : 13) Job had blijkbaar behoefte aan stilte en zijn vrienden toen ook nog. (Voordat zij in allerlei monologen uitbarstten)
Hebben mensen nou alleen maar behoefte aan stilte als zij ondergedompeld worden in ellende? Auto’s razen weer om mij heen. Muziek uit alle luidsprekers in alle winkels. Vliegtuigen ronken witte strepen boven mijn hoofd. Maar ik bewaar een weldadige stilte in mijn herinnering.

René Romijn

Prooi

Met een onrustbarende ‘boem!’ vloog er een smelleken tegen het raam van onze huiskamer. Hij (?) lag al meteen te zieltogen in het gras met zijn prooi vlak naast zich. Die had het leven al eerder gelaten blijkbaar. Wat is zo’n roofvogeltje mooi en wat is de natuur toch wreed. Naar mijn maatstaven dan. Voor een smelleken bestaat er geen wreedheid of deernis. Het leven is zoals het is en anders niet. Geen gevoelens en geen emoties.
Wat ben ik dan een vreemd wezen dat ik die wel heb? Ik had medelijden met dat smelleken maar ook met zijn prooi. Dat medelijden leverde mij overigens niet veel op en die twee vogels ook niet. Ik heb maar een gat in de tuin gegraven en daar ‘dader en slachtoffer’ ingelegd. De vorst heeft beide de volgende nacht stevig toegedekt.
Het bepaalde mij wel weer eens bij het menszijn. Volgens biologen kennen sommige dieren ook wel emoties en gevoelens, maar geen levend wezen is er zo mee behept als de mens. Heb-
ben wij dat nou speciaal ontwikkeld in de loop van de evolutie of heeft een Schepper er dat bij ons ingebouwd? Hoe het ook zij, wij zitten er maar mee. Nou ja, niet allemaal. Je hebt ook mensen met weinig gevoel. Je vindt die ook wel in de Bijbel in verhalen over b.v. Samuël ( 1Kon.15) of Petrus (Hand. 5:1-11) Die mensen met weinig gevoel lijken daar zelfs uit naam van God te handelen. Maar veel mensen weten gelukkig wel wat deernis is. Ook al levert dat gevoel nogal eens pijn op. Meeleven met iemand betekent soms ook dat je de pijn van die ander meevoelt.
Een mensenleven zou voor iedereen kostbaar moeten zijn. Je aan een mensenleven vergrijpen is eigenlijk iets onbestaanbaars. Letterlijk zoals moord maar ook figuurlijk. Als je zegt dat ho-
moseksualiteit zondig is beneem je een ander zijn/haar menszijn. Als je een kind misbruikt degradeer je het tot een speeltje voor jouw eigen seksueel genot en vermoord je hun bestaans-
recht als mens. Wanneer je armen arm houdt door allerleis douceurtjes voor rijken verniel je het bestaan van die armen.
Een smelleken redeneert niet, wij kunnen dat wel. Een smelleken oordeelt niet, wij wel. Een smelleken kent geen deernis, wij hebben er weet van. Een dag na de ‘begrafenis’ van deze vogel lag er rijp op de aarde. De lage zon deed die rijp oplichten in alle kleuren van de regenboog: er lagen overal diamantjes op de grond. Wat mooi! De natuur als een soort praal-
graf. Kijk, dat heeft een dier ook niet: gevoel voor schoonheid. Raadselachtig dat alleen mensen dat hebben. Laten wij dus het leven maar vieren met deernis en gevoel voor schoon-
heid. Dan zijn wij voluit mens. Misschien zelfs wel zoals God dat bedoeld heeft.

René Romijn

JSN Decor template designed by JoomlaShine.com